Woonwoorden doen ertoe

Wat zijn de woonvoorkeuren van jongeren? Wat zijn hun woonbehoeftes en hoe zien zij het wonen van de toekomst? Het lijken eenvoudige uitgangsvragen, maar als je de methodieken concreet begint uit te werken, merk je dat er allerlei vragen opduiken over wat die concepten juist inhouden. Dit ondervonden we tijdens een participatieproject op vraag van de woon- en jeugddienst van Stad Brugge.

Door Wouter Vanderstede  

Het Woonbeleidsplan en het Beleidsplan Ruimte Brugge vormden aanleiding voor de stad om een intensief participatieproject te doorlopen met een klas uit het vijfde middelbaar van MIA (Sint-Kruis Brugge). Samen met de dienst wonen, planning en jeugd ontwikkelde Kind & Samenleving een participatietraject waarbij de jongeren stapsgewijs aan de slag gingen rond ‘woonvoorkeuren’.  

Aan dit participatietraject ging heel wat denkwerk vooraf. Want wat betekent ‘het perspectief van jongeren op wonen’ juist? In de voorbereidende contacten met de diensten en tijdens het uitwerken van de methodieken bleek dat onder die noemer daar heel wat verschillende elementen en betekenissen onder vallen. Voor we de methodieken om jongeren te bevragen uitwerkten, moesten we dus eerst goed nadenken over wat we precies in beeld wilden brengen. Daarom werkten we een goed afgelijnd conceptueel kader uit om jongeren te bevragen over hun woonvoorkeuren. 

Het conceptueel kader is de basis 

Hoe denken jongeren over wonen en welke voorkeuren hebben ze? Die vraag is even open als complex. Want wat houdt dat wonen juist in? We kunnen het hebben over de woonsituatie, over hoe jongeren wonen beleven, welke wensen of noden ze hebben, welke idealen ze koesteren, wat hun verwachtingen over wonen zijn, welke ‘woonnormen’ of ‘wooncultuur’ er heersen…: allemaal begrippen die onderdeel zijn van het ‘perspectief op wonen’, maar die inhoudelijk toch grondig kunnen verschillen en op z’n minst verschillende nuances zullen inhouden. 

We vonden het dus aangewezen om die verschillende elementen te ontrafelen, wat in veel praktijkonderzoek en projecten niet altijd nauwgezet gebeurt. Toch is dat belangrijk om de inhoud én de methodieken van de bevraging scherp te krijgen. 

Samen met de stadsdiensten stelden we vast dat we voor het ‘perspectief op wonen’ rekening moeten houden met een zestal elementen. Die kunnen meestal ook op een schaal worden gezet. We kunnen die groeperen volgens twee dimensies: de aspecten van het wonen zelf, én de manier waarop jongeren die kunnen beschrijven. 

1. Dimensies en aspecten van het wonen zelf: 

  • Tijdsschaal (bijv. verleden-heden-nabije toekomst-verre toekomst) 
  • Ruimtelijke schaal (van inrichting woning tot regionale woonlocatie) 
  • Ruimtelijke vs. sociale aspecten van wonen 

2. De manier waarop jongeren die kunnen beschrijven

  • Objectief/feitelijk vs. subjectief/gevoelsmatig/evaluerend 
  • Realistische/pragmatische woonverwachtingen vs. idealen, woonwensen of zelfs fantasieën/utopieën 
  • Individuele woonvoorkeuren vs. gemeenschappelijke wooncultuur/waarden/normen m.b.t. wonen 

Die zes verschillende elementen grijpen bovendien in op elkaar, waardoor heel veel mogelijkheden ontstaan. Voor je jongeren gaat bevragen, moet je dus kiezen wát je nu precies wil bevragen, en in functie daarvan de methodieken kiezen of ontwikkelen.  

Ons project in Brugge gaf ons alvast het deze ervaringen mee. 

Kies wat je wil bevragen over het wonen zelf: denk na over tijd en over ruimte

1. Tijdsschaal: heden vs toekomst

Een woonsituatie kan beschreven worden in het heden, verleden of toekomst. Bij ‘toekomst’ zit je bijna per definitie in een subjectieve beschrijving. 

Het heden lijkt het meest voor de hand te liggen om te beschrijven. Het is sowieso aangewezen om een beeld te krijgen van de huidige woonsituatie, om alle uitspraken van jongeren goed te kunnen interpreteren.  

Maar ook het verleden kan je aan bod laten komen. Jongeren die op verschillende plekken wonen of in het verleden al eens verhuisd zijn, hebben het graag over de verschillen tussen die woonsituaties.  

De ‘toekomst’ kan je voor jongeren concreter maken aan de hand van levensfasen. Dit maakt het gemakkelijker om de toekomst voor te stellen, en daarbij de toekomstige noden en wensen te bepalen. Wat voor wensen en noden heb je 

  • als je pas van school bent 
  • als je alleen woont of met jouw lief 
  • als je 1 kind hebt of als je meerdere kinderen hebt 
  • als je oud wordt… 

Deze omschrijvingen maken toekomstscenario’s heel concreet, en zorgen ervoor dat eenzelfde jongere andere verwachtingen, voorkeuren of wensen gaat formuleren. We zagen vaak dat jongeren heel andere voorkeuren gingen formuleren als ze zich de woonsituatie voorstelden waarbij ze zelf kinderen zouden hebben, of wanneer ze zélf oud zouden zijn.

2. Ruimtelijke schaal

Het perspectief op wonen betekent heel andere dingen volgens de ruimtelijke schaal waarover het gaat: 

  • woonlocatie (woonplaats in de gemeente en regio) 
  • ruime en directe woonomgeving 
  • woontypologie (type woning) 
  • woonperceel (woning + tuin) 
  • architectuur (preciezere uitzicht van de woning) 
  • binnenhuisinrichting en interieur 

In het Brugse project wilden we het voornamelijk over de eerste drie schaalniveaus hebben. Bij een bevraging over een concreet bouwproject, zou je het wellicht over àlle schaalniveaus moeten hebben (al lijkt het niveau van binnenhuisinrichting en interieur dan weer minder een opdracht voor de architect). 

3. Fysieke en sociale ruimte 

    We kozen er bewust voor om niet enkel op fysieke ruimte te focussen. Dat bleek een goede keuze, want jongeren vinden ook het sociale functioneren van een buurt heel belangrijk. De sociale dimensie bleek heel bepalend bij de evaluatie van hun woonsituatie: luidruchtige of ‘irritante’ buren, levendigheid of rust… bepalen en kleuren de evaluatie van het wonen sterk. 

    Op welke manier wil je dat jongeren hun ervaringen formuleren? 

    4. Objectief vs. subjectief 

    Wanneer je jongeren aan het woord wil laten over hun actuele ‘woonsituatie’, dan ga je vooral op zoek naar hoe ze nu wonen, zo feitelijk en beschrijvend mogelijk. Op zich is het beschrijven een mooie en eenvoudige starter. Toch is ook dit complexer dan gedacht omdat jongeren soms ook op verschillende plaatsen wonen (bijv. als hun ouders gescheiden zijn). Er kan ook schaamte opduiken: jongeren die krap of slecht behuisd zijn, gaan dit niet graag openlijk beschrijven. We moeten hier dus delicaat mee omgaan. In het Brugse project deden we dit door een korte individuele vragenlijst te combineren met een tekenopdracht waarbij ook veel genoteerd mocht worden. Dat bleek een heel zinvolle aanpak.  

    Bij het invullen van de survey merkten we wel dat er veel uitleg nodig is bij ogenschijnlijk duidelijke categorieën. “Wat betekent ‘half vrijstaand huis’? Als de garage van de buur tegen jouw eigen garage gebouwd is, is dat dan een rijhuis of niet?” “Wat betekent een koertje?”… Dat toont aan hoe algemene surveys, zonder uitleg en toelichting, wellicht niet altijd correct worden ingevuld, omdat de respondenten niet begrijpen wat er precies bedoeld wordt.  

    Het objectieve beschrijven van de woonsituatie is iets heel anders dan vragen naar de woonbeleving of het evalueren van de woonsituatie. Het beste lijkt om heel open te starten (bijv. “Hoe is het om daar te wonen?”); te laten evalueren (bijv. “Duid voor- en nadelen aan”). Om die woonbeleving en evaluatie goed te interpreteren, moet je eigenlijk wel een beetje de objectieve woonsituatie van de bevraagde jongeren kennen. Beide raken ook vermengd: doordat ze over nadelen en voordelen nadenken, herinneren ze zich details voor een beschrijving van hun woonsituatie.  

    In dit project lieten we jongeren groene en rode stickers aanbrengen op hun tekening, respectievelijk voor wat ze goed vinden in hun woonomgeving, en wat ze wilden veranderen, waarna ze dit met tekst verder konden toelichten of verduidelijken.

    5. Realistische woonverwachtingen vs. woonidealen 

    Vaak levert de vraag naar toekomstige ‘woonnoden’ en ‘woonwensen’ vooral onrealistische en stereotype ‘woonidealen’ op. Als de vraag is: “Hoe wil je wonen in de toekomst?”, wie wil dan niet heel graag in een alleenstaande rustige villa wonen dicht bij alles, als er toch geen beperkingen worden aangegeven?  

    Daarom is het beter om naar de meer realistische ‘woonverwachtingen’ of woonaspiraties van jongeren te vragen. Met andere woorden: hun pragmatische inschattingen voor de toekomst, vertrekkend vanuit de huidige woonsituatie en wensen om dingen te veranderen.  

    Wij stelden vast dat we, door uitdrukkelijk te vertrekken van de huidige woonsituatie, een sfeer creëerden waarin duidelijk was dat we niet op zoek waren naar utopische, maar naar realistische woonverwachtingen.  

    Het is ook goed om expliciet te vragen naar werkelijke ‘woonnoden’ in enge zin: “Wat is nodig om goed te kunnen wonen?” Of zelfs wat hun ‘existenzminimum’ is: “Wat moet er minimaal aanwezig zijn in een woning en woonomgeving om gelukkig te kunnen wonen?” Dit soort vragen komen zelden aan bod in woononderzoeken. 

    In het Brugse project deden we de jongeren nadenken over essentiële woonfuncties. We lieten hen aanduiden wat voor henzelf de belangrijkste woonfuncties zijn: Zijn een eetkamer, garage of grote tuin echt nodig? En moeten die helemaal privaat zijn of kan je bepaalde (delen van) ruimtes ook delen? En wat zijn de belangrijkste gemeenschapsvoorzieningen die je in de buurt wil hebben? De antwoorden hierop waren soms best verschillend. Sommigen vonden een eetkamer of garage bijvoorbeeld niet per se nodig, omdat dit minder belangrijk voor hen was, terwijl dit voor anderen wél essentieel bleek. 

    6. Persoonlijke woonwensen vs. cultureel-maatschappelijke woonidealen en sociaal wenselijke antwoorden 

    Doorheen heel ons traject was het niet altijd duidelijk of de voorkeuren persoonlijke woonwensen of -noden waren, of cultureel-maatschappelijke woonidealen. Beide zijn ook niet zomaar van elkaar te (onder)scheiden. Bij onze eigen participatietrajecten en in ander onderzoek zien we dat Vlaamse woonidealen al vroeg worden meegegeven, en jongeren worden altijd mee beïnvloed door de tijdsgeest. Daarom is het belangrijk om regelmatig heel expliciet te vragen of het hun eigen persoonlijk aanvoelen en standpunt is, of iets dat algemeen aangenomen of verwacht wordt.  

    Maar het is ook interessant om regelmatig te switchen van individueel naar maatschappelijk perspectief en terug. Daarom kregen de jongeren ook een ontwerpoefening als opdracht: ze moesten, vanuit het standpunt van ontwerper of stad, een wijk bouwen, rekening houdend met maatschappelijke uitdagingen. Hun ontwerpen stelden ze daarna voor aan de stadsdiensten. Daarbij vroegen we ook telkens waar precies in de wijk ze wél of juist niet wilden wonen. En ook zo leerden we veel over de manier waarop jongeren naar wonen kijken, nu en in de toekomst. 

    Keuze van methodieken en opbouw van het participatietraject

    In ons project probeerden we dus rekening te houden met al die dimensies om een bevragingstraject uit te tekenen. Het participatietraject bouwden we op in een aantal stappen, waarvan de volgorde weloverwogen was.  

    We vertrokken bijvoorbeeld vanuit de individuele woonsituatie en woonbeleving van de jongeren, waarbij we de vraag zo open mogelijk stelden, met zo weinig mogelijk beïnvloeding. Op die manier konden we te weten komen hoe ze op dit moment daadwerkelijk denken over het wonen. Geleidelijk wisselden we van perspectief naar een ontwerpopdracht met een maatschappelijke woonopgave die in kleine groepjes werd uitgewerkt. Daarna confronteerden we hun eerste ontwerp met duurzaamheidsprincipes en maatschappelijke uitdagingen, waarna ze via een beoordeling door anderen nagingen hoe ze hun eigen ontwerpen zouden kunnen verduurzamen.  

    Het Brugse project in het kader van het woonbeleidsplan was een eerste interessante oefening om zicht te krijgen op het perspectief van een groepje jongeren op wonen. Met die ervaringen willen we graag verder aan de slag: om het conceptueel kader te verfijnen, én om zo een antwoord te vinden op de methodologische uitdagingen.

    Geef een reactie

    Welkom

    Dit is het Magazine van Kind & Samenleving. Het komt drie keer per jaar online. Veel leesplezier!

    Lees over onze thema’s

    Ontdek meer van Kind & Samenleving Magazine

    Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

    Lees verder