Tieners willen we positief benaderen. Maar willen of niet, de problematiek van ‘overlastklachten’ komt wel altijd weer naar boven. En helaas zijn er geen wonderoplossingen. Naar aanleiding van onze studiedag ‘Publieke ruimte voor tieners en jongeren’ brengen we hier enkele beleidskaders samen voor omgang met overlastgedrag en -klachten. We verzamelden ze tijdens de studiedag en vulden aan met eerdere ervaringen, gesprekken met experten en literatuur.
Door Wouter Vanderstede
Typisch tieners
Net als andere mensen zijn tieners en jongeren gebruikers van de publieke ruimte. Toch komen ze vaak in beeld als bron van ‘overlast’. Dat komt mee door gedrag dat eigen is aan hun leeftijd.
- Publieke ruimte is voor tieners écht verblijfsruimte. De openbare ruimte is voor hen ruimte voor ontmoeting, bewegen, recreatie… Het is de ruimte om zich te ontplooien. Voor veel volwassenen is publieke ruimte voornamelijk doorgangsruimte. Dat projecteren zij op anderen als verwachting, en dat kan frictie geven.
- Fysiek aanwezig zijn. Tieners ‘spelen’ soms gewoon nog graag. Ze vertonen dan hetzelfde gedrag als bij jonge kinderen: tikkertje, worstelen, speelvechten… Maar door hun groter lijf, luidere stem, en intense activiteit komt dit helemaal anders over. Het kan als agressief ervaren worden, terwijl tieners zich daar niet eens bewust van zijn en dit zeker niet de bedoeling is.
- Luid aanwezig zijn. Tieners maken soms gewoon veel plezier met elkaar, en dan kan het er luid aan toe gaan. Of ze roepen, net zoals kinderen soms zonder erg veel reden.
Geluid is ook inherent aan sommige activiteiten: het geklak van skateborden, versterkte muziek bij street dance. Slecht gekozen, onderhouden of ontworpen infrastructuur kan dat soms versterken, zoals bij een goal of basketpaal die telkens lawaai maakt bij hard balcontact. Soms laten tieners ook luide muziek afspelen. Dat kan voor omwonenden erg storend zijn wanneer dit herhaaldelijk en laat in de avond gebeurt. Het luid aanwezig zijn (bijv. ook met bommetjes of zelfs vuurwerk) kan ook een bewuste strategie zijn van jongeren om ruimte te claimen. - Grote groepen in geconcentreerde zones. Tijdens middagpauzes en na de schooldag worden tieners uit scholen gedreven. Tijdens de middag is er vaak niet veel tijd om te eten. Daardoor blijven tieners vaak binnen een heel beperkte en geconcentreerde zone. Door hun grote aantallen kan dit intimiderend overkomen en staan ze soms ook gewoon in de weg.
- Zitplekken en beschutting zoeken in semi-private gebouwen en private portalen. In de échte publieke ruimte is doorgaans weinig plaats om te schuilen tegen regen of hitte. Vaak is er ook te weinig zitgelegenheid. Tijdens wachtmomenten voor of na school of tijdens de middagpauze zijn de opties dus bepekt, en gaan tieners logischerwijs zitplaats, onderdak of beschutting zoeken waar het kan. Ook in private portalen. Dit wordt door bewoners vaak als een inbreuk op hun privacy ervaren. En vaak moeten ze dan achtergelaten afval opruimen.
- Eten en drinken, met (bergen) afval en zwerfvuil. Net als ‘deftige zakenlui‘ eten tieners vaak ‘on the move’. Broodjes, wegwerpmaaltijden, snoep, snacks en drankblikjes leveren enorm veel afval op. Er wordt ook wel wat verspild en niet altijd in de vuilbak geworpen. Dit vormt vaak een (soms dagelijkse) bron van frustratie voor omwonenden.
- Grenzen aftasten (en overschrijden). Tieners zijn volop in ontwikkeling. Het verkennen van grenzen (van gedrag, lichamelijk, psychologisch, sociaal) hoort daarbij. Soms overdrijven ze bewust bovenstaande ‘eigenheden’: hard roepen en bommetjes om extra lawaai te maken, ruimte innemen of de doorgang versperren om een ruimte te claimen…
Soms wordt er los over de grens gegaan, zeker als er al een conflict gaande is. Uiteraard moet daarop gereageerd worden.
Een beperkt aantal tieners stelt regelmatig grensoverschrijdend gedrag. Dan moet er krachtiger opgetreden worden. Maar aan herhaaldelijk problematisch gedrag ligt meestal een complexe problematiek ten grondslag, waarvoor hulp en een integrale aanpak aan de orde zijn.
Bovenstaande oplijsting geeft een beeld van typisch tienergedrag dat aanleiding kan geven tot klachten van omwonenden. Wanneer er klachten binnenkomen bij instanties, is het belangrijk om op zoek te gaan wat het probleem precies is, zodat daarop gewerkt kan worden. Het begrip ‘overlast’ is immers te veel een containerbegrip en is onwerkbaar voor het bepalen van eventuele interventies.

Respect en welkom
Vaak als gevolg van die eigenheid, worden tieners opvallend vaak geassocieerd met ‘overlast’. Maar dit mag geen aanleiding geven om ze te stigmatiseren. Tieners moet je benaderen zoals andere bevolkingsgroepen: met respect en niet stigmatiserend. Er zijn altijd tieners die rode lijnen overschrijden, maar anderen mogen niet de dupe zijn van maatregelen tegen deze minderheidsgroep. Als tieners zich niet gerespecteerd voelen, gaan ze er zich soms ook naar gedragen.
‘Respect’ blijkt een belangrijke waarde bij tieners, in het bijzonder zelfs bij de wat ‘stoerdere’ tieners. Deze waarde hanteren ze ten aanzien van elkaar, soms letterlijk, met de hand op het hart, maar ook ten aanzien van anderen. Zo typeren ze moeiteloos politieagenten of toezichthouders: ‘Die heeft nog respect voor ons, maar die totaal niet’. Dan wordt dialoog moeilijk: ‘Als die geen respect heeft voor ons, dan ik ook niet voor hem’.
Daarom is het belangrijk om als stad of gemeente aan tieners het gevoel te geven dat ze welkom zijn in de publieke ruimte. Tieners en jongeren viseren en profilen doet net het omgekeerde: het voelt onrechtvaardig aan en wekt hierdoor juist subversief gedrag op. Dat geldt ook voor allerlei verbodsborden en ‘vijandige’ architectuur.

Waar er baliepersoneel of veldwerkers aanwezig zijn, kan het dus belangrijk zijn om actief positieve verbinding te maken, nog vóór er problemen zijn. Met een vriendelijke ‘hallo’ van achter de balie of als passant, verwelkom je iemand en maak je al positief contact, én bevestig je ook jouw eigen aanwezigheid in de ruimte, waardoor die ruimte minder anoniem wordt.
Hetzelfde geldt trouwens voor de klagers. In heel wat gevallen wordt een klacht van een buurtbewoner geformuleerd vanuit een bezorgdheid over het goede functioneren van de publieke ruimte. Of die voelt zich concreet gestoord, wat begrip en respect verdient. Er is wel een minderheid van klagers die van alles een probleem maken en enkel voor zichzelf denken en handelen. Ook van die klagers kan je respect en empathie vragen en aangeven dat ze zich anders buitenspel zetten.
Ruimtelijke oorzaken
Potentiële spanningen tussen tieners onderling of met andere groepen hebben vaak te maken met een gebrek aan ruimte of een slechte inrichting, inplanting, buffering, schaalbepaling of spreiding van voorzieningen. In tijden van ruimteschaarste en vergaande verdichting, moeten we voldoende publieke ruimte reserveren en ze zorgvuldig gaan inplanten en vorm geven.
In onze publicatie ‘Tienervriendelijke publieke ruimte’ geven we planningsconcepten en ontwerpprincipes om dit op een tienervriendelijke manier te doen. Een deel van de structurele oplossingen voor rondhangproblemen zit in het aanpassen van ruimte. Dit is doorgaans wel een verhaal van langere termijn. Toch is het nodig om ook hierin te investeren.

Samenwerking tussen diensten voor een integrale aanpak
Wat is dan de oplossing op kortere termijn? Overlastproblemen zijn vaak complex. Daarom is het enorm belangrijk dat acties interdisciplinair, vanuit verschillende diensten en instanties, gecoördineerd worden.
Bij voorkeur vertrekt dit vanuit een structureel overleg. Bijvoorbeeld halfjaarlijks kan de algemene situatie geëvalueerd worden en kunnen gevoelige omgevingen en plekken de revue passeren. Voor delicate plekken, buurten of wijken, waar er regelmatig signalen opduiken, kan men een specifiek overleg starten. Naarmate diensten elkaar beter leren kennen, kan overleg en afstemming vlotter en efficiënter gebeuren.
Zeker wanneer er enkele knipperlichtjes aangaan, plant men best snel een overleg in. Omdat het soms om veel actoren gaat, kan een online overleg gemakkelijker zijn om efficiënt in te plannen voor iedereen. Het is belangrijk om kort op de bal te spelen, nog vóór het tot een echt conflict komt.
Opstarten van een pragmatische analyse
Wanneer de eerste signalen gedetecteerd worden, kan een specifiek overleg in het teken staan van een zo pragmatisch mogelijke analyse van de situatie. Hierin kan men volgende elementen bespreken:
- Aanwezigheid op het terrein verhogen:
Zo veel mogelijk aanwezig proberen te zijn in de ruimte, vanuit verschillende instanties en vanuit verschillende rollen: straathoekwerk en jeugdwerk, stadswachten en interventieploegen van politie, en zelfs baliepersoneel en onderhoudsploegen. Zo zijn er veel ogen op het terrein, én verschillende perspectieven. Met de nodige coördinatie of herplanning zorg je ervoor dater zeker op tienerpiekmomenten iemand is die kan zien wat er op het terrein allemaal gebeurt. - Verwelkomend contact maken met tieners nog voor er klachten of problemen zijn:
Die verhoogde aanwezigheid is er in de eerste plaats om te observeren en (positieve) contacten aan te gaan met tieners en jongeren, elk vanuit de eigen rol en vanuit de vraagstelling: ‘Wat kunnen wij, als straathoekwerk, jeugdwerker, stadswacht, wijkinspecteur… hier betekenen?’ - Observeren, registreren, vroeg detecteren en samenbrengen van overlastfenomenen of gedrag:
Er komen best korte verslagjes van de observaties: vooral feitelijk (wanneer is er langsgegaan, wat gebeurde er allemaal?, wat kon je vaststellen in de ruimte?). Daaraan kan ook de context van de situatie toegevoegd worden. Dit is dan meer een inschatting van de algemene sfeer, eerder aanvullend op de feiten. Omdat die verslagjes van meerdere actoren komen, worden ze best centraal bijgehouden. Belangrijk hierbij is dat betrokkenen anoniem kunnen blijven en dat er bijv. geen foto’s van personen gedeeld worden. - Interdisciplinair de situatie analyseren en beoordelen:
Na een relevante tijdsperiode van observaties kan er een nieuw overleg plaatsvinden. Wanneer de (ernstige) gebeurtenissen op het terrein zich snel lijken op te volgen, dan wacht je daar best niet te lang mee. Op dit ‘opvolgingsoverleg’ moet dan duidelijk worden of er daadwerkelijk een probleem is, en of er een daadwerkelijke interventie nodig is.

Opvolgingsoverleg om situatie in te schatten, te beoordelen en op te volgen
Na observaties en terreinbezoeken kan er overleg en opvolging plaats vinden over de case, met alle gemeentelijke actoren, die evenwaardig hun vaststellingen en inschattingen geven. Dit wordt best voorbereid door een zo onafhankelijk mogelijk persoon (bijv. iemand van de algemene diensten, eventueel zelfs een externe procesbegeleider, wellicht best niet door een politicus).
Belangrijk hierbij is dat volgende vragen beantwoord worden:
- Wat is het probleem? (probleemdefinitie):
Nog vóór men nadenkt over mogelijke interventies moeten deze belangrijke vragen eerst beantwoord worden:
– Wat zijn de feiten? Wat hebben we zélf geobserveerd?
– Is er een voorgeschiedenis? Is er al langer sprake wederzijds onbegrip of van escalatie?
– Wat wordt er als problematisch ervaren door de betrokkenen (alle betrokken partijen)?
Overlastklacht(en) moeten concreet verwoord worden: over welk soort handelingen of gedrag gaat het, hoe frequent? Dit vergt een meer diepgaand (ook kritisch) gesprek met de klagers. Het perspectief van de tieners en jongeren op het gebeuren is evenwaardig: Welke noden zitten achter het gedrag? Vinden de tieners zelf dat ze anderen storen? Zien ze zelf oplossingen? Hebben ze zelf klachten over de klagers? In de gesprekken mag je gerust, als buitenstaander, het perspectief van de anderen meegeven (zonder er een oordeel over te vellen).
- Is er een ‘interventie’ nodig?
Of er daadwerkelijk interventie nodig is, is een belangrijke, maar complexe vraag. Gaat het om eerder onschuldig typisch tienergedrag, zoals hierboven geschetst (waarbij tieners zich soms van geen kwaad bewust zijn), of gaat het om (herhaaldelijk) en duidelijk grensoverschrijdend gedrag? Of ergens tussenin?
Een ‘interventie’ betekent niet noodzakelijk een probleemgerichte aanpak. Het kan ook gaan om een proactieve interventie vanuit jeugd(welzijns)beleid (bijv. jeugdactiviteiten ontwikkelen op de site, buurtsport), ruimtelijk beleid (bijv. ontmoetingsruimte faciliteren), straathoekwerk (bijv. verhoogde aanwezigheid en opvolging)…
- Soorten interventies bepalen:
Als er toch probleemgerichte interventie nodig is, is het ook goed om dit weloverwogen te doen en om goed te doseren.
Interventies kunnen zich richten naar de tieners, de klagers, naar beide, maar ook naar derden of op aanpassingen in de specifieke ruimte (quick wins, zoals een bank verplaatsen). De interventie kan bijvoorbeeld inhouden dat er meer straathoekwerk, jeugd(welzijns)werk of jeugdruimte uitgebouwd wordt. Of er kan duidelijk gemaakt worden aan de klager dat tieners aanwezig mogen zijn als ze zich aan bepaalde afspraken houden. Het vorm geven van afspraken gebeurt in principe met betrokkenheid (liefst ook rechtstreekse dialoog) van beide. Maar elke situatie is anders en het is aan de beleidsactoren om samen te bepalen wat nodig is.
Belangrijk bij alle interventies is dat elke beleidsactor de eigen rol kan blijven spelen. Een jeugdmedewerker moet geen politie-agent worden, en een politie-agent moet geen jeugdmedewerker worden. Elke actor kan zichzelf de vraag stellen: ‘Wat kunnen wij, vanuit onze rol, positie en mogelijkheden, betekenen en bijdragen op de site?’

Bemiddeling en herstelgerichte aanpak bij ernstige conflicten
Bij ernstige problemen en conflicten kan hard ingrijpen noodzakelijk zijn een deel zijn van de oplossingen. Belangrijk is echter dat het gehele gamma van mogelijke acties overwogen wordt: preventief, curatief, remediëring, bemiddeling, repressief, herstelgericht… En dat duidelijk stilgestaan wordt bij de mogelijke effecten en gevolgen van de maatregelen, zowel voor de conflictpartijen zelf als de andere gebruikers, zowel op de specifieke plek als andere plekken in de buurt.
Bemiddeling en herstelgerichte aanpak hebben doorgaans het meest effect op de langere termijn. Er bestaat ook specifieke literatuur over jongeren-buurtbemiddeling.
Bemiddeling vergt specifieke vaardigheden, talenten en ervaring. Je kan niet verwachten dat elke jeugddienst- of bibliotheekmedewerker, iemand van de technische dienst of zelfs preventie zomaar kan gaan bemiddelen. Elke eerstelijnsmedewerker is gebaat met vorming om om te gaan met jongeren. Maar voor bemiddeling bij echte conflicten wordt best een ervaren bemiddelaar ingeschakeld, met de nodige kennis en ervaring met handelingskaders en bemiddelingsprincipes. Mogelijk moet die buiten het gemeente- of stadspersoneel gezocht worden. Maar wie weet is er ook binnen het brede actorenoverleg iemand die deze rol wil opnemen en zich daar verder in wil bekwamen.
Deze tekst is vrij gebaseerd op bijdrages op onze studiedag ‘Tieners en publieke ruimte’, in het bijzonder op de presentatie van Maarten François (Stad Kortrijk) en op de Visietekst van De Hangmakers. Dit is evenwel een eigen interpretatie, aangevuld vanuit eigen ervaring en eerdere gesprekken of overlegmomenten met diverse partners.



