Tijdens onze inspiratiedag klonk een krachtig pleidooi voor het heroverwegen van de ruimte en de vrijheid die we kinderen bieden. In plaats van angst en regulering, kiezen experts en initiatiefnemers Martin van Rooijen en Martin Hup voor een visie die volop focust op vertrouwen, autonomie en de competentie van het kind. De Utrechtse rommelspeeltuin en de natuurspeeltuin Het Woeste Westen zetten die visie om in rijke, uitdagende speelplekken.
Door Theresa Martens en Wouter Vanderstede
Spelen met losse onderdelen en landschap
De Rommelspeeltuin
De Rommelspeeltuin is een idee dat breekt met het traditionele speelterrein met vaste speeltoestellen. Het is een georganiseerde, dynamische plek vol met ‘loose parts’ (losse onderdelen) zoals planken, banden, touwen, en zand, maar ook legerbrancards, rollators, huishoudtrapjes en kabelrollen. Er staat een sloopcaravan en een reddingsboot. Het is de speeltuin van de creatieve vrijheid.
Tijdens het spelen worden de kinderen op een terughoudende manier ondersteund door de playworker. Deze getrainde speelwerker is aanwezig op het speelterrein en geeft kinderen autonomie om zelf hun omgeving te bouwen, te veranderen en af te breken. De playworker observeert volop en grijpt enkel in wanneer dit absoluut noodzakelijk is. Denk hierbij aan een onstabiele constructie die op instorten staat, of materialen die op een ongepaste, gevaarlijke manier worden gebruikt (bijvoorbeeld gereedschap gericht op een ander kind). De kern van de rol van de playworker is om vrij spelen te faciliteren, niet om het te sturen of te controleren.

Rommelspeeltuin Utrecht (c) Martin van Rooijen
Het Woeste Westen
Het Woeste Westen is een groot natuurspeelterrein van ongeveer 3 hectare aan de rand van Amsterdam, ingericht als een veenweidelandschap met sloten en begroeiing.
De kracht van het Woeste Westen ligt in het landschap zelf. Kinderen mogen hier vies worden, uit het zicht verdwijnen en spelen in en met de natuur. Martin Hup toonde aan dat het juist de wildheid van de natuur is die voor kinderen de grootste aantrekkingskracht heeft. Het daagt kinderen uit om hun eigen grenzen te verkennen en te groeien in hun relatie met de natuurlijke omgeving.
En ook hier gaat het realiseren van een concrete speelplek samen met een bezorgdheid over de bredere context waarin kinderen leven en spelen. Een rijke, steeds veranderende plek zoals een natuurspeeltuin heeft een bijzondere waarde wanneer het vrije spelen onder druk staat. ‘Het laatste kind op straat’, heette het symposium en het toen gepresenteerde boek dat vanuit Het Woeste Westen een pleidooi houdt voor het autonome spel van kinderen, waarin kinderen op eigen houtje op verkenning gaan in hun buurt en in de natuur.

(c) Het Woeste Westen
Gedeelde fundamenten
De Rommelspeeltuin met zijn stapels loose parts en het Woeste Westen als ruig natuurlandschap mogen er dan heel anders uitzien qua inrichting, maar Martin van Rooijen en Martin Hup delen een wezenlijke visie op kinderen en op spelen: vertrouwen in de competentie van het kind.
Zij gaan ervan uit dat het kind competent is en zelf de inhoud en intentie van het spelen moet bepalen en controleren. Zodra volwassenen ingrijpen of het spelen sturen, stopt het spontane, vrije spelen. De rijke speelomgevingen van de Rommelspeeltuin en het natuurspeelterrein geven letterlijk en figuurlijk ruimte voor spelen als een bezigheid die volledig door kinderen wordt gecontroleerd.
Zo zoeken kinderen bij het vrije spelen vaak risico’s op, waarbij je je tijdens het spelen kan bezeren: dat maakt spelen telkens weer spannend, uitdagend, opnieuw uit te proberen. Geraak je het water over met je vlot, of beland je onderweg in de beek? Daarvoor hebben kinderen het vertrouwen van volwassenen nodig. Door kinderen zelf een risico-afweging te laten maken, versterken ze niet alleen hun risicocompetentie en bedenken ze creatieve oplossingen, maar bouwen ze ook fundamenteel zelfvertrouwen en veerkracht op.
Praktijkvraagstukken
De grijze zone van keuring en de kracht van zelfbouw
Tijdens de discussies kwamen vele vragen van Vlaamse lokale beleidsmakers en jeugdwerkers naar voren: “Hoe kun je dit soort avontuurlijke elementen behouden zonder in conflict te komen met de wetgeving over de veilige uitbating van speelterreinen?” Die regelgeving uit het Belgische KB is natuurlijk deels verschillend van het Nederlandse Warenwetbesluit Attractie- en Speeltoestellen. Maar we kunnen zeker wel wat leren uit de basishouding van onze Nederlandse gasten. De pedagogische visie die het in handen nemen van het spelen uitdrukkelijk bij kinderen legt, kunnen we helemaal onderschrijven, en dit uitgangspunt wordt zelfs aangehaald in de Europese normering. De kanttekening die we hier wel bij maken is dat we ook aan onzichtbare risico’s moeten denken (bijv. een element dat niet stevig genoeg is en zou kunnen afbreken, gevaarlijke elementen onder water) en nagaan of die aanvaardbaar zijn of niet. Net dat is ook de rol van de playworker.
De focus van preventieadviseurs of controlerende instanties ligt al te vaak op officiële toestellen van een fabrikant. Zij weten dan niet goed hoe ze moeten omgaan met natuurlijke elementen en zelfbouw, terwijl daar meestal heel veel speelwaarde in zit. In de Belgische wetgeving is er in de bijlage van het KB over veiligheid een uitzondering voorzien voor “tijdelijke toestellen die als element van hun spel door kinderen, onder toezicht, voor zichzelf worden vervaardigd.” Elementen die door kinderen en jeugd zelf zijn gebouwd en gecreëerd, zoals bouwspeelplaatsen, worden dus niet beschouwd als speeltoestel. Wanneer zelfbouw op bestaande speelterreinen plaats vindt, zorgt dit soms wel voor onduidelijkheid en discussies tussen preventieadviseurs, controleurs, gemeente en jeugdwerkers.
Er werd dan ook gepleit voor een verschuiving van de rigide toestelkeuringen naar een risico-batenanalyse op terreinniveau. In plaats van enkel gevaren te identificeren om ze te elimineren, weegt men de winst (de baten) van een uitdagend element af tegen het beheersbare risico, tot een aanvaardbaar risico wordt bereikt.
Perceptie van de speelplek
Een ander mogelijk knelpunt is hoe ouders en buurtbewoners kijken naar speelterreinen die buiten de lijntjes kleuren van het traditionele speelterrein met vaste speeltoestellen. Natuurelementen en losse materialen maken speelplekken inherent ‘rommeliger’. Wat kinderen zien als rijk speelmateriaal, kunnen buurtbewoners zien als een ‘vuile boel’. Daarom verdient niet alleen de inrichting van de speelruimte investeringen, maar dient ook in een communicatieplan geïnvesteerd te worden. De volwassen esthetiek mag de speelkansen van het kind niet in de weg staan. Het is daarom belangrijk om in gesprek te blijven met buurtbewoners en ouders om de visie en meerwaarde uit te leggen.
De praktijkvoorbeelden van de Rommelspeeltuin en Het Woeste Westen zijn inspirerende voorbeelden van hoe speelrommel en een natuurlandschap voor een rijke, uitdagende speelplek kunnen zorgen. De angst voor een klacht, een keuringsrapport of de perceptie van ‘vuile boel’ mag niet bepalen wat de norm is voor spelen. Het vraagt vooral moedige keuzes om te investeren in visie en communicatie, in avontuurlijkheid en risicovol spelen en dus niet enkel in standaard speeltoestellen. Maar als je het aan de kinderen zélf vraagt, dan kiezen zij vaak voor de uitdaging van natuur en rommel.



