Op onze inspiratiedag Red het buitenspelen doken we ook dieper in de ruimtelijke resultaten van ons buitenspeelonderzoek. Cijfers en kaartmateriaal lokten meteen heel wat interessante discussies uit over de ontwikkeling van een lokaal buitenspeelbeleid. Zo ging het over het dilemma tussen formele en informele speelruimte, de nood aan een cultuuromslag, de stevige opgave voor kindvriendelijke mobiliteit, het vormen van coalities en verankering van een strategisch ruimtelijk buitenspeelbeleid.
Door Wouter Vanderstede
Inzetten op formele of op informele speelruimte?
Kinderen spelen overal, maar niet overal evenveel. Het buitenspeelonderzoek leert ons dat het spelen steeds meer verschuift naar formele recreatieve ruimtes, ten koste van het spelen in informele ruimtes (straten en pleinen). In 2008 speelde nog de helft van de geobserveerde kinderen in recreatief bedoelde ruimtes. In 2024 was dat, in dezelfde wijken, al 70%. Formele speel- en sportruimte lijken de reddingsboei voor het buitenspelen.
Moeten we dan méér of minder gaan inzetten op formele speelruimte? Het lijkt een dilemma tussen pragmatiek en efficiëntie enerzijds (de schaarse middelen investeren waar de meeste kinderen spelen) en visie en voluntarisme anderzijds (kinderen moeten toch overal kunnen spelen, niet alleen in ‘kindreservaten’, dus moeten we vooral op informele ruimtes inzetten).

Vanuit een politieke logica is het logischer om in formele speelruimtes te investeren. Goed uitgeruste en verzorgde speel- en sportterreinen zijn immers heel zichtbaar voor burgers. Je kan ermee scoren. Meer kinderen die op straat spelen is moeilijker te overzien en verwezenlijkingen zijn veel minder gemakkelijk in beeld te brengen voor de burger.
Maar we weten tegelijkertijd dat formele speel- en sportterreinen vaak een eenzijdig publiek aantrekken (bijv. vooral oudere jongens op sportterreinen) en weinig ruimte geven aan uitdagende en creatieve spelvormen (zoals fantasiespel of constructiespel). Bovendien heeft de creatie van formele speelruimtes soms als gevolg dat klagende burgers kinderen en jongeren kunnen doorverwijzen en verdrijven naar ‘jeugdreservaten’, weg van de eigen backyard.
Spelen mag inderdaad niet beperkt worden tot een specifieke plek in de wijk. Kinderen moeten óveral kunnen spelen. Ingrepen op straat (kleuren, spelprikkels,…) kunnen dat uitstralen. Maar overal kleine spelprikkels uitstrooien is dan weer duur en nauwelijks te beheren. En ook een aantrekkelijk speelterrein kan kinderen en gezinnen naar buiten lokken en een catalysator zijn voor buiten spelen in de buurt. Formeel of informeel? Het lijkt een enorm spanningsveld.
Vals dilemma?
Maar misschien is het gewoon een valse tegenstelling. Inzetten op zowel informele als formele speelruimtes is nodig om de neerwaartse trend voor buiten spelen om te keren. De dalende trend van buitenspelen gaat zo snel, dat ondertussen ook de ‘succesvolle’ speelterreinen en wijken nauwelijks nog het niveau halen van de slechtst scorende wijken uit het allereerste buitenspeelonderzoek van 1983.
We moeten dus gewoon zowel op de formele als de informele ruimtes inzetten. Dat moet wel op verschillende manieren gebeuren. Volop investeren in (zowel ruimtelijk als mentaal) centraal gelegen speelterreinen blijft aangewezen, zo leren de buitenspeelonderzoeken telkens opnieuw. Meer kwaliteitsvolle formele speel- en sportruimte kan het buitenspelen versterken. Maar spelen op straten en op pleinen is ook heel waardevol, omdat dit ander spel oplevert, het spelen van diverse leeftijden ondersteunt en een beter genderevenwicht oplevert.
Dat betekent niet dat elke stoep een formeel speelterrein moet worden. We komen al een grote stap verder als er terug ontmoetingsruimte wordt gecreëerd in woonstraten. De eerste voorwaarde hiervoor is dat de autodominantie doorbroken wordt. De overmaat op straten en pleinen moet teruggegeven worden aan de voetgangers en fietsers. STOP is dan de juiste volgorde: eerst stappers, dan trappers, dan openbaar vervoer en dan pas de personenwagens. Zo ontstaat potentiële speel- en belevingsruimte, die dan verder geactiveerd kan worden.

‘Spelende’ ouders geven het voorbeeld
De deelnemers aan deze workshop waren het erover eens: volwassenen zijn een rolmodel voor sociale interactie. En zij zijn ‘gatekeepers’ voor hun kinderen: ze bepalen in grote mate hoe ver een kind mag gaan. Maar ook tussen volwassenen onderling is de interactie en ontmoeting op straat afgenomen. Het succes van speelstraten zit vaak in het creëren van ontmoetingsmogelijkheden van volwassenen, waardoor duurzamere buurtrelaties een speelcultuur en een sfeer van vertrouwen en geborgenheid kunnen ontstaan.
‘Zien spelen doet spelen’: dit geldt bij kinderen, maar ook bij volwassenen. Een deelnemer merkte op dat ‘passief spel’ ook iets is wat veel volwassenen doen. In de feestelijke sfeer van een speelstraat gaan volwassenen ook al eens actief meespelen, of ze genieten met een hapje en drankje van hun kinderen, die ze leuke dingen zien doen en ‘die elkaar gewoon en vanzelf bezig houden’. Misschien gaan ouders daarna zelf ook al eens een stoel buiten zetten op een zomerse avond, wat een vrijgeleide en uitnodiging is voor kinderen om mee naar buiten te gaan.

De ouders van nu zijn ondertussen van die generatie die misschien zelf al niet meer buiten speelden in hun kindertijd. Het is dus soms ook een opdracht om te werken aan een speelcultuur waarin uitbundig, avontuurlijk, luid en ‘vuil’ spelen màg en zelfs aangemoedigd wordt. In een buurt waar ontmoeting mogelijk is en avontuurlijke speelruimte zichtbaar, kunnen ouders uitwisselen, over praktische dingen (bijv. dat ‘speelkleren’ en laarzen handig kunnen zijn), maar ook over normen en waarden. Bovenal moeten ouders de veiligheid en het vertrouwen krijgen dat er sociale controle is vanuit de buurt. En dat ‘wild’ spelen ook wel eens mag.
Het goede voorbeeld tonen en ruimtes activeren voor spelen is iets wat allerlei buurtactoren kunnen doen. Ze zijn een noodzakelijke aanvulling op ruimtelijke elementen. Jeugdwerk, scholen en zelfs sportclubs kunnen nog veel meer op straat werken en verborgen avontuurlijke ruimtes laten zien. Ook de gemeente kan, vanuit (mobiel) speelpleinwerk, buurtsport of buurtwerkondersteuning, mee prikkels geven. Ze kunnen de publieke ruimte mee in de kijker zetten en laten claimen als bespeelbare ruimte.
Verblijfs- en ontmoetingsruimte creëren als eerste stap
Maar het creëren van veilige en aangename verblijfs- en speelruimte is altijd een noodzakelijke voorwaarde en eerste stap. Overal spelprikkels inbrengen is geen haalbare kaart. Het is wellicht ook niet nodig: een aangenaam en interessant ontmoetingspleintje kan genoeg zijn.

Toch is een speelse toets of expliciete boodschap dan wel nog een meerwaarde: een bordje of poort met ‘speelbos’, een speeltoestel of kleurige grondtekening laten zien: ‘dit is (ook door de gemeente) bedoeld als speelruimte’. In discussies met buurtbewoners geeft dit argumenten aan kinderen en jongeren om hun aanwezigheid te legitimeren. De praktijk leert bovendien dat een speelterrein, of zelfs ‘jongerenhangterrein’ best inclusief en veelzijdig kan zijn, ook voor oudere mensen. We moeten dus geen schrik hebben om kinderen en jongeren expliciet welkom te heten in de publieke ruimte.
Op zoek naar houvast en coalities vormen voor ‘taaie’ beleidsprocessen
Mobiliteitsingrepen en open ruimte behouden binnen ontwikkelingen zijn een basisvoorwaarde voor buitenspelen. Helaas is dit niet evident.
Geen beleidsmaatregel roept meer weerstand op dan mobiliteitsingrepen. Idealiter zijn dit bottom-up-initiatieven. Goede communicatie blijft heel belangrijk. Maar ook de koppeling aan andere beleidsdoelstellingen over verkeersveiligheid, ontharding, duurzaamheid… is een absolute meerwaarde. Daarbij is het goed dat de gemeente een duidelijke (en goedgekeurde) visie heeft opgemaakt, zodat ze zich niet naar elke opmerking van een burger moet plooien.

Bij nieuwe woonprojecten zijn ontwikkelaars bovendien een lastige actor om mee te krijgen. Zij hebben doorgaans andere prioriteiten dan buitenspelen, en zijn gericht op korte termijn (na enkele jaren dragen zij het openbaar domein over aan de gemeente). Soms hebben ze rechtstreekse lijnen met de politiek. En veel VME’s (Verenigingen voor Mede-Eigenaars, die verantwoordelijk zijn voor de gemeenschappelijke ruimtes binnen collectieve woonprojecten) zijn vooral gericht op goedkoop en gemakkelijk beheer, ‘rust’ en het vermijden van aansprakelijkheid. Dit leidt vaak tot ‘zielige’ of zelfs ontbrekende speelruimtes.
Binnen die context ijveren voor voldoende en kwalitatieve speelruimtes is niet evident. Enkele dingen die kunnen helpen:
- Er wordt een nood gevoeld aan bovenlokale normatieve kaders (normen, kindtoets…) om naar te kunnen verwijzen, zodat een gemeente beter kan motiveren.
- Daarnaast is het belangrijk om coalities te vormen: als alle diensten op één lijn staan, sta je sterker. Ook technisch personeel en onderhoudsmensen kunnen een grote inbreng hebben vanuit hun praktijkkennis. Door regelmatig contact te hebben met alle actoren, leer je elkaars perspectieven en bezorgdheden kennen. Een club van gangmakers van het buitenspelen kan andere collega’s mee op de kar krijgen.
- Om buitenspelen strategisch op de agenda te zetten, is er inzicht nodig in de procedures, flows, besluitvormingsprocessen en overlegstructuren. Dit is in elke gemeente anders, en inzicht hierin kan ervoor zorgen dat kindvriendelijk ontwerp telkens (en van bij het begin) mee wordt verrekend. Het betrekken van jeugdactoren en het nadenken over kindvriendelijke publieke ruimte moet geleidelijk een gewoonte worden. Om personeelwissels te overleven vereist dat ook duurzame verankering. Daarbij kan een informeler maar frequent ‘overleg/werkgroep speelruimtebeleid’ helpen om het thema op de agenda te houden.
- Een formeel visiedocument, dat ook politiek gevalideerd is (cf. Visie kind- en jeugdvriendelijke publieke ruimte, kindweefselplan…), is een waardevol instrument. Daarin kan ook de verwachting opgenomen worden dat de speelruimte als een volwaardige ontwerpopgave wordt beschouwd. En de overheid kan ernaar verwijzen bij het formuleren van antwoorden op klachten.
- Juridische afdwingbaarheid kan eigenlijk enkel door verankering binnen het ruimtelijk instrumentarium: bijv. via een stedenbouwkundige verordening, een lokaal beleidsplan ruimte, een BGO (beleidsmatig gewenste ontwikkeling), een RUP, een mobiliteits- of circulatieplan…
- Koppelen van beleidsinitiatieven: kindvriendelijkheid kan aan veel andere beleidsthema’s gekoppeld worden: bijv. duurzame mobiliteit, water en klimaat, spelprikkels en horeca… Dit beleidsoverschrijdend denken helpt om coalities te vormen.
- Goed overleg en beleid om op klachten te antwoorden.
Dit vergt dus een actief, integraal en beleidsoverschrijdend beleid, dat telkens weer concreet moet gemaakt worden voor elke unieke plek en buurt.



