Waar woonvoorkeuren en beleid elkaar raken

Kinderen hebben uitgesproken voorkeuren op vlak van wonen. Dat wisten we al geruime tijd. Maar een recent participatietraject rond wonen en duurzaam ruimtegebruik leverde ons heel wat inzichten op over de achterliggende redenen. Naar welke woonkwaliteiten zijn kinderen precies op zoek wanneer ze spreken over hun ‘ideale’ woning en woonomgeving? En wat kunnen architecten, ruimtelijk planners en beleidsmakers hieruit leren?

Door Theresa Martens en Andreas De Mesmaeker 

In de maand april trokken we naar basisscholen in Gent en Stabroek om na te gaan hoe kinderen wonen vandaag ervaren én hoe ze het wonen in de toekomst zien. We peilden naar hun woonvoorkeuren en -wensen op twee schaalniveaus: enerzijds op niveau van de eigen woning/woonunit, anderzijds op niveau van de ruimere woonbuurt. En wat blijkt: kinderen weten heel goed waar ze naar op zoek zijn!

Rust, privacy en (buiten)ruimte 

Als het gaat over hun eigen woning of woonunit zijn kinderen in de eerste plaats op zoek naar rust en privacy. Voor kinderen is het heel erg belangrijk dat je in je eigen woning tot rust kan komen. ‘Rust’ heeft voor kinderen verschillende betekenissen. Enerzijds slaat het op de afwezigheid van storend geluid, bijvoorbeeld lawaai van buren of van het verkeer. Anderzijds betekent rust ook de afwezigheid van drukte, hetgeen – net zoals lawaai – afkomstig kan zijn van zowel mensen als van het verkeer.

Daarnaast is ook privacy erg belangrijk. Onder ‘privacy’ verstaan kinderen vooral dat je in je eigen woning moet kunnen doen wat je wil, zonder (het gevoel te hebben) dat iemand je kan zien of horen. Kinderen willen niet gestoord worden door buren of andere bewoners en willen geen ‘pottenkijkers’.

Ook het hebben van een eigen buitenruimte beschouwen kinderen als een duidelijke meerwaarde. Vooral een eigen tuin is fijn, omdat je in een eigen tuin tot rust kan komen en voldoende privacy kan hebben. Je hoeft er ook geen rekening te houden met andere bewoners, wat bijvoorbeeld wel het geval is bij een gemeenschappelijke tuin.

Combinatie van voorzieningen in de buurt, een groene omgeving en sociaal contact 

Wanneer de kinderen kunnen kiezen tussen een klein huis zonder tuin maar met een groot park in de buurt, of een groot huis met eigen tuin maar verder niets te beleven, is hun antwoord duidelijk: voor veel kinderen is de kwaliteit van de woonomgeving belangrijker dan de oppervlakte van de woning zelf. Maar wat verstaan kinderen onder een kwaliteitsvolle woonomgeving?

Kinderen geven aan dat kwaliteit voor hun woonomgeving samenhangt met de nabijheid van voorzieningen, een groene omgeving en de kans op (spontane) sociale interactie. Een mix van voorzieningen zoals de school, de supermarkt, de dokter en groen- en speelruimten die te voet of met de fiets bereikbaar zijn, is erg belangrijk voor kinderen. Zelfs als dit ervoor zou zorgen dat er minder ruimte is voor de auto.

Opvallend is dat kinderen veel belang hechten aan zorgvoorzieningen. Tijdens verschillende methodieken is het keer op keer duidelijk dat kinderen het belangrijk vinden dat de dokter, apotheek en ziekenhuis snel en gemakkelijk bereikbaar zijn.

Maar niet alles moet noodzakelijk dichtbij liggen. Voor kinderen is een verplaatsing niet louter van punt A naar punt B gaan, het is ook een beleving op zich: onderweg ontdek je nieuwe wegen, nieuwe plekken, nieuwe mensen.

Want ook sociale interactie is voor kinderen een onderdeel van een kwalitatieve buurt. Kinderen willen een buurt waar ze elkaar kunnen ontmoeten, maar bovenal willen ze een buurt waar ze zich welkom voelen.

Spanningsveld tussen woning en woonomgeving 

Een vergelijking tussen de woonvoorkeuren op niveau van de eigen woning/woonunit en die op niveau van de woonbuurt legt een spanningsveld bloot: enerzijds verkiezen kinderen de vrijstaande woning als ideale woonvorm omwille van de rust en ruimte, maar anderzijds hebben ze de voorkeur voor een levendige woonbuurt met voorzieningen op wandel- en fietsafstand. Maar: individuele woonvormen met private tuin leiden vaak tot een lage dichtheid en grotere verplaatsingsafstanden, wat juist nefast is voor de nabijheid van voorzieningen en sociale interactie. Als puntje bij paaltje komt en kinderen slechts een beperkte woonruimte hebben, dan verschuift hun ideale individuele woningbeeld naar een meer collectieve afweging. De uitdaging is dus om, binnen de randvoorwaarden van duurzaam ruimtegebruik, toch maximaal in te zetten op kwaliteiten die kinderen belangrijk vinden.

Woonkwaliteiten doen ertoe 

Opvallend is dat kinderen niet zozeer belang hechten aan een bepaalde woontypologie, maar veeleer aan de onderliggende woonkwaliteiten. Kinderen zijn in de eerste plaats op zoek naar een aangename woonervaring en -beleving. De vraag die daarbij vooral van belang is: hoe kan ik mezelf goed voelen in mijn eigen woning en wat is hiervoor nodig? Als een bepaalde woning jou de nodige rust en privacy kan bieden die je zoekt, dan maakt het voor een kind in principe niet uit of dat nu gaat om een vrijstaande woning, een rijwoning of nog een ander type woning.

Voor planners, ontwerpers en architecten bestaat de uitdaging er dus in om duurzame, compacte woonvormen te ontwikkelen die woonkwaliteiten als rust, privacy en (eigen) buitenruimte garanderen. Naast aandacht voor een kwantitatieve invulling van de woonopgave, moet er dus voldoende aandacht gaan naar een kwaliteitsvolle architectuur en vormgeving op niveau van de individuele woning. Want pas wanneer kinderen (en hun ouders) overtuigd zijn dat een bepaalde woning hen de nodige kwaliteiten kan bieden, zullen zij compacter wonen overwegen.

Ook op niveau van de ruimere woonomgeving zijn het de kwaliteiten die doorslaggevend zijn. Kinderen zijn niet per se op zoek om te gaan wonen in een bepaald type omgeving, zoals stad, dorp of platteland. Ze willen vooral een omgeving die beantwoordt aan hun behoeften. Naast een buurt met veel voorzieningen nabij, snakken kinderen naar een groene, natuurrijke woonomgeving. Elke woonbuurt – of het nu gaat om een bestaande of een nieuw te ontwikkelen buurt – zou in principe moet beschikken over een minimumaanbod aan kwaliteitsvolle, bereikbare publieke groenruimte. (Her)ontwikkeling van kernen gebeurt dus best evenwichtig: verdichting moet gepaard met een versterking van het aanbod aan bereikbare en kwaliteitsvolle publieke groenruimten.

De manier waarop kinderen wonen nu en in de toekomst ervaren, kan ruimtelijke experten en beleidsmakers heel wat leren. Door zicht te krijgen op hun woonvoorkeuren en achterliggende redenen, kunnen toekomstige ruimtelijke keuzes beter afgestemd worden op reële sociaalruimtelijke noden en behoeften. Bovendien draagt een actieve betrokkenheid van kinderen en jongeren bij aan een verhoging van het draagvlak voor duurzame ruimtelijke transities en verhoogt het de uiteindelijke kwaliteit van onze toekomstige woon- en leefomgevingen.

Geef een reactie

Welkom

Dit is het Magazine van Kind & Samenleving. Het komt drie keer per jaar online. Veel leesplezier!

Lees over onze thema’s

Ontdek meer van Kind & Samenleving Magazine

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder