Buitenspelen in landelijke gemeenten

Kinderen aan het woord

In 2023 en 2024 namen we binnen een aantal verschillende participatietrajecten telkens dezelfde enquête af bij kinderen. De vragenlijst ging over de thema’s buitenspelen en mobiliteit. De resultaten bundelen we voor de eerste keer in een analyse.

Door Imme Crul en Gisèle Vervoort

We namen de enquête telkens af bij de start van een speelweefseltraject of een ander, korter participatietraject in 5 landelijke gemeentes of omgevingen. In totaal namen 243 kinderen deel en 80 procent van hen was tussen de 9 en 11 jaar. De enquête werd door ongeveer hetzelfde aantal jongens als meisjes ingevuld.

Sommige kinderen spelen nooit buiten in de publieke ruimte

Een eerste opvallend resultaat is dat tien procent van de kinderen aangeeft nooit buiten te spelen in de buurt.

90 procent van de respondenten heeft een eigen tuin, een opvallend hoog aantal. Dit hangt zeker samen met de eerder landelijke context waarin de meeste van de bevraagde kinderen wonen. De tuin is dan ook de plek waar ze het vaakst buitenspelen. In de enquête hielden we er rekening mee dat de meeste kinderen dagdagelijks waarschijnlijk het meest spelen op school. Daarom peilden we in de vragenlijst enkel naar speelplekken buiten de school.  

De eigen tuin is de meest populaire plek om buiten te spelen. Maar in die veilige cocon missen kinderen echter toch heel wat mogelijkheden tot verzelfstandiging en tot contact met (andere kinderen in) de buurt. Als ze toch buitenshuis buiten spelen, doen ze dat voornamelijk op een speelpleintje, sportveldje of in een parkje in de buurt. Hieruit blijkt hoe belangrijk het is voor kinderen om een terreintje in de buurt te hebben waar ze – al dan niet zelfstandig – naartoe kunnen. Dit is voor de meesten de enige manier waarop ze kunnen spelen in de publieke ruimte. Slechts vijf kinderen, of twee procent van de respondenten, zegt verder weg van huis te gaan spelen.

Wij hebben een minispeeltuintje vlakbij maar dit is voor kleutertjes en dus niet voor kinderen van mijn leeftijd. Het zou leuk zijn dat er ook iets voor mijn leeftijd is. – Meisje, 10 jaar.

Voor oudere tieners wordt de afstand tot een bepaalde plek iets minder belangrijk omdat zij zich al beter en verder kunnen verplaatsen (bijvoorbeeld met het openbaar vervoer). De plekken moeten voor hen vooral interessant genoeg zijn. We mogen zeker niet vergeten dat ook tieners – zij het dan op hun manier – ook nog willen spelen!

Ook voor de iets grotere kinderen mogen er meer leuke speeltuigen voorzien worden. En genoeg bomen voor schaduw in de zomer. – Meisje, 15 jaar.

Als er in het skatepark lichten zouden hangen voor als het donker is, zouden we het nog meer gebruiken. – Jongen, 16 jaar.

De kinderen kregen ook de vraag wat hen zou helpen om meer buiten te kunnen spelen. Op basis van het buitenspeelonderzoek gaven we hen een aantal opties waarvan ze er meerdere mochten aanduiden. Daarnaast kregen de kinderen ook de kans om een open antwoord te geven. Bijna de helft van de kinderen gaf aan dat ze meer zouden buitenspelen als er meer leuke speelplekken in de buurt waren. Dit zijn dan ook zoals hierboven vermeld dé plekken bij uitstek waar nog het meest gespeeld wordt in de publieke ruimte. Ook minder huiswerk zou voor vele kinderen een reden zijn om meer buiten te spelen. Rond de twintig procent geeft ook nog aan dat minder autoverkeer of meer veilige fiets- en voetpaden meer buitenspelen mogelijk zouden maken.

Autonome mobiliteit is geen evidentie

44 procent van de kinderen geeft aan met de fiets naar school te gaan. Daarnaast gaat zeventien procent te voet, twee procent neemt het openbaar vervoer en nog eens twee procent gaat met de step. 65 procent van de respondenten gaat dus op een duurzame manier naar school. De overige 35 procent wordt met de auto gebracht.


Van de kinderen die de vraag beantwoordden, mag 57 procent alleen naar school van hun ouders. Wanneer we dit per leeftijd vergelijken, zien we dat dat vooral voor iets oudere kinderen het geval is. 10 jaar blijkt hierbij een belangrijke overgangsleeftijd te zijn.

Van de kinderen die niet zelfstandig naar school mogen, zegt 31 procent dat dit komt omdat het verkeer te gevaarlijk is. Ook bij deze vraag konden ze meerdere redenen aanduiden of een open antwoord geven.

Ik mag niet alleen naar school omdat de straat geen voetpad heeft en auto’s 50 km per uur mogen rijden :-(. – Meisje, 7 jaar.

Veel kinderen duidden ook aan dat ze niet mogen van hun ouders. De reden hiervoor is wellicht in de meeste gevallen ook de verkeersveiligheid. Verder komt het vooral omdat ze te ver van de school wonen.

Een laatste opvallend verschil is de autonome mobiliteit van jongens en meisjes die de vragenlijst beantwoordden. Jongens mogen opvallend sneller alleen de weg op dan meisjes. Van de meisjes mag net iets meer dan de helft zonder volwassene naar school gaan, bij de jongens is dat twee derde.

Deze analyse wijst ons wederom op het belang van het werken aan verkeersveiligheid om speelkansen te verhogen. We willen ons bij Kind & Samenleving alvast engageren om de invulling van de kindnorm verder te verfijnen en vorm te geven, zodat verschillende besturen ook beter zicht krijgen op welke ingrepen nodig zijn om de autonome mobiliteit van kinderen te versterken. Bovendien blijkt dat het vooral voor lagere schoolkinderen zeer belangrijk is om speelruimte in de eigen buurt te hebben. Anders lopen we het risico dat zij zomaar eens nooit buitenspelen in de publieke ruimte. Een doordacht buitenspeelbeleid kan hier ongetwijfeld toe bijdragen!

Geef een reactie

Welkom

Dit is het Magazine van Kind & Samenleving. Het komt drie keer per jaar online. Veel leesplezier!

Lees over onze thema’s

Ontdek meer van Kind & Samenleving Magazine

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder