Het Vlaamse en lokale klimaatadaptatiebeleid is heel relevant voor kinderen en jongeren, nu en in de toekomst. Hoe kunnen we jeugd concreet betrekken bij de uitwerking van dit beleid? ‘Plan K’ omvat een gids en methodieken om een dialoog op te zetten.
Door Wouter Vanderstede
Naar een ‘Plan K’
Binnen de transitieprioriteit ‘Omgeving voor de toekomst’ wil het departement Omgeving een nieuwe impuls geven aan de bouwshift, een klimaatbestendig Vlaanderen en een robuustere natuur. Het departement vindt de stem van jeugd daarin belangrijk, ook al gaat het soms om technische en complexe materie. Het departement Cultuur, Jeugd en Media en De Ambrassade werden actief betrokken om hier mee over na te denken. Het model van de participatiecirkel, ontwikkeld door KEKI, vormde het startpunt voor dit traject.
Het Vlaams Klimaatadaptatieplan kwam in beeld als een interessante testcase voor kinder- en jongerenparticipatie. Op welke manier kan je dat plan, dat een aanzienlijke impact kan hebben op het leven van kinderen en jongeren, bevattelijk maken en voorleggen aan tieners? Hoe betrek je tieners bij de uitvoering van dit goedgekeurde, maar abstracte, technische en toekomstgerichte beleidsplan? Hoe ga je met tieners in dialoog over het lokale klimaatadaptatiebeleid?
Samen met diverse partners zocht Kind & Samenleving een antwoord op deze uitdagingen. Het intensieve traject van zes maanden leidde tot ‘Plan K’. De ‘K’ staat zowel voor kinderen en jongeren, als voor klimaatadaptatie. Het eindresultaat is een pakket, bestaande uit een gids en vier methodieken om met tieners (ca. 11 tot 16 jaar) in dialoog te gaan over klimaatadaptatie, biodiversiteitsherstel en duurzaam ruimtegebruik. Evenwicht tussen participatie en educatie vormde het centrale uitganspunt bij de ontwikkeling van het pakket.
Vier krachtlijnen om tot dialoog te komen
Doorheen het testtraject bleken enkele uitgangspunten cruciaal te zijn als voorbereiding voor een échte dialoog tussen tieners, ontwerpers en het beleid:
- Erkenning van volwaardig actorschap van kinderen en jongeren
- Vertrekken vanuit de onmiddellijke leefomgeving
- Ontwikkeling van een tussentaal
- Perspectiefwissels
In dit artikel laten we zien hoe deze krachtlijnen de basis kunnen vormen voor volwaardige dialoog over klimaatadaptatie tussen tieners en beleidsmakers.
1. Volwaardig actorschap van tieners
De erkenning dat tieners – door de keuzes die ze maken in hun eigen leven – een actieve impact kunnen hebben op het klimaat(beleid), vormde het centrale uitgangspunt van dit project. Tijdens onze testsessies maakten wij dit actorschap concreet en voelden wij dat die basishouding loonde om tot een kwalitatieve dialoog te komen over klimaatadaptatie.
Acht argumenten om tieners te betrekken bij het klimaat(adaptatie)beleid:
- Het gaat over hun toekomst:
Kinderen en jongeren zullen volop worden geconfronteerd met de gevolgen van klimaatverandering. Wat nu beslist wordt heeft dus grote impact op hun leven. Hen actief betrekken bij die besluitvorming is dus cruciaal. - Participatie tegen klimaatmoeheid:
Méér dan vooraf ingeschat stelden wij in de testsessies een klimaatmoeheid vast. Klimaatverandering blijkt bij tieners heel wat emoties los te maken. Ze geven aan dat het hen ‘onzeker’, ‘ongerust’, ‘bang’ en ‘angstig’ maakt. We hoorden zelfs bezorgdheden over ‘het einde van de wereld’. Sommigen bleken ook ‘verdrietig’ en ‘zelfs boos’ te zijn, omdat volwassenen te weinig actie ondernemen. Anderzijds blijkt ook een deel van de tieners er niet veel meer bij te voelen: ‘het boeit niet (meer)’. Want ze hadden er ‘al zoveel over gehoord’ en ‘je kan er toch niet veel aan veranderen’. Als we hierop doorgingen, bleek dit vooral een mechanisme van zelfbescherming: ‘Als ik eraan denk, heb ik angst, dus ik probeer er niet elke dag aan te denken’. - Kinderen en jongeren als volwaardige burgers:
Burgerschapsvorming draait om méér dan kennis opdoen over instellingen. Kinderen en jongeren voelen zich pas aangesproken als ze als volwaardige burger benaderd worden. De kinderen en jongeren uit onze testsessies vonden het positief dat ze betrokken werden bij het klimaatbeleid. We voelden positive vibes en heel veel medewerking, zelfs al waren ze bij aanvang misschien wat pessimistisch, achterdochtig of soms zelfs klimaatkritisch. - Tieners zijn bereid om actief mee te denken over oplossingen:
Het concept van klimaatadaptatie biedt een positieve insteek vanuit het idee: ‘Het klimaat verandert en we kunnen/moeten ons allen samen voorbereiden’. Dit is potentieel een meer wervend verhaal dan de focus op uitstootbeperking, waar tieners zich eerder machteloos bij voelen. Bij klimaatadaptatie is het gevoel van actorschap groter: de nood en drive om iets in handen te nemen en te veranderen. - Kinderen en jongeren kunnen véél informatie en inzichten verwerven:
Telkens weer, en zeker ook in dit traject, staan we versteld hoe snel kinderen en jongeren kennis en soms abstracte concepten oppikken en zelf kunnen hanteren. Als je hen iets op een bevattelijke manier overbrengt, leren ze snel en kunnen ze deze inzichten in eigen redeneringen hanteren. Educatie en participatie gaan samen. Enerzijds hebben kinderen en jongeren ‘bagage’ nodig om aan een technisch beleidsdebat te kunnen participeren. Anderzijds moet je hen open benaderen en de ruimte laten om met alle info een eigen mening te vormen. Het is gaat dus om een wisselwerking tussen informatie geven en standpunten innemen. - Erfgenamen van de ‘baksteen in de maag’-cultuur:
Jonge tieners hebben vaak een stereotiep beeld van wonen in de stad, van compact wonen en van ruimte delen. Ze associëren verdichting met weinig privacy, met krappe appartementen, met informeel groen dat verdwijnt … Dit negatieve beeld heerst omdat ze amper in contact komen met goede voorbeelden van verdichting of van ruimte delen. Wanneer tieners daarentegen kwalitatieve voorbeelden aangereikt krijgen, ontwikkelen ze meer genuanceerde en soms ook positievere inzichten en attitudes. Het komt erop aan om hun voorkeuren en bekommernissen ernstig te nemen en er ontwerpmatige oplossingen voor te vinden. - Cruciale leeftijd om standpunten vorm te geven:
Wij merkten dat tieners in de oefeningen en in rechtstreekse dialoog met beleidsmakers het dilemma tussen het algemeen en individueel belang scherper begonnen aan te voelen, wat soms effectief leidde tot verschuivingen in meningen en standpunten. We zagen hen regelmatig van standpunt veranderen en hun houding bijstellen. Tieners zijn nog volop hun identiteit, maatschappelijke positie en standpunten aan het bepalen. Het is een cruciale leeftijdsperiode in het vormen van attitudes en actief burgerschap. - Stemrecht en stemplicht vanaf 16 jaar:
16-jarigen kregen recent voor de eerste keer stemrecht voor de Europese verkiezingen. Dit leidde tot een opvallende verhoogde sensibilisering rond politiek in de middelbare scholen. Zeker op Europees niveau is het klimaatbeleid een zeer relevant thema. Hier kan in de toekomst verder op ingespeeld worden.
2. De onmiddellijke leefomgeving als startpunt
Tieners laten nadenken en in dialoog laten treden met beleid lukt het best als je vertrekt vanuit hun eigen leefomgeving. Klimaatverandering en -adaptatie zijn complexe, doorgaans abstracte begrippen. Een theoretische uitleg met nadruk op systeemdenken is tot op een zekere hoogte nodig om deze thematiek te begrijpen en ermee aan de slag te kunnen. Maar wanneer je de link legt met voorbeelden uit de eigen gemeente en woonomgeving, dan wordt het verhaal voor tieners veel concreter én voelen ze zich veel meer betrokken.
Zo kan je het belang van ‘ontharding’ bijvoorbeeld best uitleggen vanuit de lokale situatie. In de basisschool van Liedekerke toonden we bijvoorbeeld de beelden van de overstromingen in de stationsomgeving van januari. Die overstromingen vormen vooral een probleem aan de noordkant van het station. Daar is de Dendervallei nagenoeg volledig bebouwd en verhard door een bedrijventerrein. De voorkant van het station is enkele jaren geleden dan weer onthard en er werd ruimte gemaakt voor water. Hierdoor is de wateroverlast er beperkt in vergelijking met de noordzijde van het station.

Ook in Halle maakten we het abstracte begrip klimaatverandering inzichtelijk met een lokaal voorbeeld. Elke tiener kent de Basiliekstraat, de centrale winkelstraat van de stad met winkelketens en snackbars. Bij felle regenbuien stroomt heel wat regenwater af vanuit de noordelijke, hoger gelegen woonwijken naar de lager gelegen binnenstad. De riolering in de Basiliekstraat krijgt dan heel wat water te verwerken, waardoor de straat overstroomt. De stad Halle werkt nu aan een bufferbekken en zal een groot weiland inrichten als overstromingsgebied, zodat het regenwater lokaal kan insijpelen en het risico op wateroverlast in de binnenstad zal verkleinen.

3. Tussentaal ontwikkelen
Om in dialoog te gaan, heb je een taal nodig om elkaar goed te kunnen begrijpen: een soort ‘tussentaal’ tussen tieners enerzijds en planners en beleidsmakers anderzijds.
Voor Plan K hanteerden we een aantal strategieën om die tussentaal te ontwikkelen. Zo hanteerden we een vocabularium dat aansluit bij de eigen leefwereld. Waarom moet je bijvoorbeeld per se het woord ‘adaptatie’ gebruiken als je het woord ‘aanpassing’ veel vertrouwder in de oren klinkt?
Daarnaast gebruikten we concrete voorbeelden om abstracte begrippen te benoemen. Soms heb je nu eenmaal een abstract begrip nodig omde complexiteit van klimaatverandering en -adaptatie te begrijpen, hetgeen op zijn beurt een voorwaarde is om erover in dialoog te kunnen gaan. ‘Vergroening’ is bijvoorbeeld een abstract begrip, dat zowel ‘steen, asfalt en beton uitbreken’, ‘een boom planten’, ‘gevelplanten aanleggen’ als ‘het aanleggen van een daktuin’ kan omvatten. Door concrete voorbeelden en invullingen te gebruiken, krijgen tieners inzicht in abstracte concepten. In die mate dat ook een zesdeklasser basisonderwijs die termen na een beetje oefening zelf spontaan begint te hanteren.
Om het systeemdenken verder over te brengen lieten we kinderen en jongeren zelf verbanden zoeken tussen concrete klimaatoplossingen en (eigen geformuleerde) klimaatuitdagingen. De vaststelling dat een concrete oplossing soms voor meerdere uitdagingen een oplossing biedt, was voor sommigen een openbaring en ook een extra motivatie om ermee aan de slag te gaan. Een groene voortuin is bijvoorbeeld goed om zowel overstromingen, droogte als hitte tegen te gaan, en is bovendien goed voor de biodiversiteit. De klimaatproblemen zijn meervoudig. De oplossingen (en vooral dan de natuurinclusieve varianten) gelukkig ook.

Abstracte begrippen zijn duidelijker als ze visueel zijn gemaakt. Verder bouwend op de ‘ruimtetactieken’ uit ons Ruimtehelden-project, tekenden we een aantal ‘klimaattactieken’ uit. Dit zijn strategieën zoals ‘niet bouwen in de open ruimte’, ‘natuurlijke tuinen’ of ‘gebouwen vergroenen’ die tieners kunnen inzetten om een bepaalde plek (bestaand of fictief) klimaatbestendiger te maken. Na een korte uitleg kunnen zowel kinderen als tieners uit het middelbaar er vlot mee aan de slag. Ze kunnen dit integreren in een ontwerpoefening en op die manier voorstellen formuleren over vergroening, dichter wonen, slim ruimtegebruik en duurzame mobiliteit.

4. Perspectiefwissels
Het wisselen van perspectief, bijvoorbeeld van het heden naar de toekomst, is een goede strategie om tot een volwaardige dialoog over klimaatadaptatie te kunnen komen tussen beleidsmakers en (jonge) burgers.
We onderscheiden twee soorten perspectiefwissels: heden versus toekomst, en individueel belang versus algemeen belang.
Heden versus toekomst
Veel kinderen en jongeren leven sterk in het nu: in de sociaalruimtelijke omgeving en de klimaatsituatie die ze vandaag kennen. Het is interessant om hen uit te dagen om over de toekomst na te denken. In onze sessies deden we dit aan de hand van een scenariospel. De tieners starten in het heden en kiezen een woonplaats op een spelbord dat de typisch Vlaamse woon- en leefomgeving representeert. We bespreken samen hun locatiekeuze en zetten de voor- en nadelen van de verschillende woon- en leefomgevingen op een rijtje.

Vervolgens zetten de tieners de stap naar de toekomst. Aan de hand van een dobbelsteenspel passeren een aantal scenario’s de revue: rampen (overstroming en hitte-eilanden), maar ook verduurzamingsscenario’s (vergroening en uitbreiding openbaar vervoer) en verandering in leeftijd en leefsituatie (van een schoolgaande tiener over een ouder van 3 kinderen tot een 85-jarige die moeilijk te been is). Bij elk scenario maken tieners de reflectie: wonen ze nog op de goede plek of overwegen ze om te verhuizen? De honkvastheid verschilde sterk van groep tot groep en van individu tot individu. Maar door de perspectiefwissels namen de tieners doorgaans wel andere standpunten in. Vaak gaf het ook aanleiding tot interessante gesprekken, in groep, maar ook tussen de tieners onderling.

Individueel belang versus algemeen belang
Tijdens het scenariospel stond het individueel perspectief centraal: de individuele woonkeuze en woonvoorkeuren. In een laatste scenario nemen de tieners het standpunt in van de gemeente. Ze krijgen in groep de opdracht om een 30-tal woningen (in de vorm van Fruittella’s) en bijpassende gemeenschapsvoorzieningen te ontwerpen.
Vanuit het beleidsperspectief moeten ze een locatie kiezen voor de woonontwikkeling: ofwel in de stadsrand (herontwikkeling brownfield), in het tussengebied of in de dorpsrand. We merkten dat tieners vanuit dit perspectief beduidend meer voor de stad kozen, terwijl ze als individu vaker de voorkeur hadden voor het tussengebied.
In de ontwerpopdracht krijgen de tieners vervolgens een driedubbele opgave: ze moeten een (1) klimaatbestendige, (2) jeugdvriendelijke en (3) eerlijke/rechtvaardige woonomgeving ontwerpen. De volledige klasgroep beslist vervolgens als jury of hun ontwerp voldoende beantwoordt aan de criteria. De 30 Fruittella’s vormen daarbij de inzet. Ze moeten aantonen dat hun woonwijk klimaatbestendig is door vier klimaattactieken toe te passen. Stap per stap krijgen ze meer materiaal aangereikt om hun woonomgeving verder te detailleren en klimaatbestendig te maken (klimaatpicto’s, stiften om tuinen, water en parken te tekenen …).
Vanuit de praktijk blijkt deze methodiek een dankbaar middel te zijn om in dialoog te gaan met beleidsmakers of ontwerpbureaus. En wanneer je echte woonontwikkeling als opgave kan voorleggen, wordt het debat nog interessanter!

In de testsessies vormde deze ontwerpopdracht aanleiding om enkele maatschappelijke discussies te voeren: kan/mag/moet een overheid verplichten, verbieden en boetes opleggen om verharding te voorkomen en te remediëren? Of moet de overheid vooral belonen en zelf het goede voorbeeld geven? En zou je zelf bereid zijn om ruimte te delen als dit ook ruimtelijke voordelen oplevert? Opvallend was dat veel tieners de overheid ook uitdrukkelijk opriepen om hun verantwoordelijkheid te nemen:
De gemeente heeft in het verleden misschien fouten gemaakt door teveel beton te gebruiken. (…) De gemeente moet nu nadenken voor de toekomst: kiest men voor beton, of kiest men voor groen?
Je kan het maatschappelijk debat scherpstellen door opnieuw te wisselen naar het individuele perspectief: in welke woning van de woonontwikkeling zouden de tieners zelf het liefste wonen? In dat geval kozen ze vaak voor een rustig gelegen, vrijstaande woning met tuin en zwembad. Of voor een penthouse-suite. In hun ogen was wonen in een appartement meer voor studenten of ‘mensen met minder geld’. De vraag of hun ontwerp voldoende eerlijkheid/rechtvaardigheid in zich draagt wordt daarmee zeer urgent. Hierop kunnen beleidsmakers of ontwerpers inpikken om maatschappelijke keuzes te bediscussiëren.
Een dialoog opstarten over klimaatadaptatie gaat verder dan het hebben over technische kwesties. Het gaat ook over maatschappelijke keuzes. Dit sluit naadloos aan bij diverse leerdoelstellingen en eindtermen van het onderwijs, in het bijzonder rond burgerschap, duurzaamheid en ruimtelijk bewustzijn … De leerkrachten van de testsessies, waaronder ook STEM-leerkrachten waren hier alvast heel enthousiast over.
Plan K is ontwikkeld door Kind & Samenleving, in opdracht van het Departement Omgeving en het Departement CJM van de Vlaamse Overheid. Het pakket omvat vier flexibele methodieken, die je vrij kan aanpassen aan je eigen ruimtelijk project of context (onderwijs, jeugdwerk …) en combineert zowel educatieve als participatieve doelstellingen. De methodieken zijn uitgetest met kinderen en jongeren tussen de 11 en 16 jaar. In de praktijk zijn de methodieken echter ook inzetbaar bij (of samen met) oudere jongeren.
Klik hier voor de gids, alle methodieken en het spelmateriaal van Plan K.



