Mobiliteit op maat van kinderen klinkt eenvoudig: je bouwt een mobiliteitssysteem uit waarin de zachte weggebruiker centraal staat. Maar dekt dit wel voldoende de lading? Hoe kijken kinderen zelf naar hun verkeersomgeving, hoe beleven zij hun verplaatsingen, en wat vinden zij belangrijk? In Gavere gingen we met kinderen op pad en lieten we hen vertellen, beoordelen én ontwerpen. Zij toonden niet alleen wat er beter kan, maar zetten ons ook aan het denken over de manier waarop we met kinderen in gesprek gaan over mobiliteit.
Door Imme Crul en Andreas De Mesmaeker
Samen met 31 andere middenveldorganisaties uit de jeugd-, mobiliteits- en gezondheidssector, maakt Kind & Samenleving deel uit van de ‘Coalitie Kindnorm’. Samen pleiten we voor een kindnorm in het verkeer: een mobiliteitssysteem op maat van kinderen en jongeren. Elke (her)inrichting van de openbare ruimte zou vanuit het perspectief van een kind bekeken moeten worden. Enkel op die manier kunnen we werk maken van een openbare ruimte waarin elk kind zich actief, veilig en zelfstandig kan én mag verplaatsen (voor meer info, zie onze website).
Hoe die kindnorm er op Vlaams niveau dan precies moet uitzien en welke vorm die dan moet aannemen staat (nog) niet vast. En dat is momenteel eigenlijk ook niet zo belangrijk. Wat wél duidelijk is, is dat de kindnorm een invulling moet krijgen vanuit het perspectief van kinderen en jongeren. Want wie anders dan kinderen en jongeren zelf weten het best naar welke bestemmingen zij zelfstandig kunnen en mogen gaan, en hoe zij die verplaatsingen beleven?
Kinderen aan het woord in Gavere
Om die inspraak voor de eerste keer vorm te geven trokken we naar Gavere. We spraken er met kinderen uit het vierde en het vijfde leerjaar van twee scholen in de deelgemeente Asper.
Daar vroegen we om te beginnen aan de kinderen hoe zij zich in hun woonomgeving verplaatsen, en hoe ze dit ervaren. We legden hen stellingen voor zoals ‘het is leuk om te fietsen in Asper’ en ‘ik mag zonder volwassene naar school gaan’. Daaruit bleek dat de meeste kinderen in het vierde leerjaar nog niet zelfstandig naar school mogen en een groot deel van de kinderen van het vijfde leerjaar dat wel al mag. De leeftijd van 10-11 jaar blijkt bij hen dus cruciaal voor hun zelfstandige mobiliteit. Ook hoorden we van de kinderen dat ze veiligheid een belangrijke voorwaarde vinden voor de beleving: een route kan pas fijn zijn, als die in de eerste plaats veilig is.
Het is veilig, en als het veilig is het ook leuk!


We praatten daarna over concrete verkeerssituaties- en infrastructuur. We kozen voor plaatsen uit de dichte schoolomgeving, waar de leerlingen zelf geregeld passeren. Zo kunnen ze zich gemakkelijker voorstellen hoe ze deze plek gebruiken en ervaren. De leerlingen vertelden of ze op die plekken alleen (zouden) mogen komen, hoe veilig én hoe leuk ze die plek vinden.
Hier werd onder andere duidelijk dat veel kinderen een grote voorkeur hebben voor een vrijliggend fietspad: ze voelen zich meer op hun gemak als een fietspad afgescheiden is van de rijbaan. Hoe verder weg van de auto’s, hoe beter. Een fietspad met haagje of berm als afscherming van de rijbaan is voor de meeste kinderen ideaal. Over fietsstraten zijn de meningen verdeeld: sommigen vinden het aangenaam om als fietser voorrang te hebben, anderen voelen zich dan weer opgejaagd als een auto hen niet mag voorbijsteken.
Je hebt voorrang op de auto’s, dus dat is een veilig gevoel.
(…) En die lijken zo ongeduldig, die wachten wel voor jou maar die vinden eigenlijk dat je sneller moet doorrijden.


Links: foto bestaande plek in Asper; rechts: ontwerp van kinderen om de straat kindvriendelijker te maken.
In een tweede inspraaksessie vroegen we aan de leerlingen hoe de straten van Asper kindvriendelijker zouden kunnen worden. Ze maakten met stiften en PictoPlay-iconen verschillende ontwerpen. We kozen ervoor om de kinderen hun ‘droomstraat’ te laten ontwerpen: ze tekenden hun ideale straat op een zo goed als leeg sjabloon. Daarnaast pasten ze heel concrete en gekende verkeerssituaties volgens hun wensen aan. Ze maakten daarbij een ontwerp op de foto’s uit de vorige sessie.


Kinderen ontwerpen hun droomstraat en maken hierbij nadrukkelijk ruimte voor voetgangers en fietsers.
Opnieuw kwam de voorkeur voor een vrijliggend fietspad duidelijk naar voren. Daarnaast bleek dat de kinderen liever een smaller, ‘echt’ fietspad hebben dan een bredere fietssuggestiestrook waarop ook auto’s mogen rijden. Onderweg zijn is voor kinderen ook beleving: zij kozen langs en op de weg voor speel-, belevings- en ontmoetingselementen zoals een fontein, een speelaanleiding of een bankje.
Naast voldoende ruimte voor fietsers en voetgangers en beleving onderweg, kwam ook het belang van verkeersremming naar boven. In hun ontwerpen zochten de kinderen naar verschillende manieren om de snelheid van het autoverkeer te verminderen: ze tekenden borden met zone 30, flitscamera’s en zelfs slagbomen aan de verkeerslichten, om zeker te zijn dat auto’s zouden afremmen of zelfs stoppen.
Realiteit vs. dromen
In Gavere kozen we voor een insteek vanuit (verkeers)infrastructuur: we vertrokken vanuit gekende straten en (kruis)punten in de gemeente om het gesprek met kinderen aan te gaan. Concrete, bij voorkeur lokale plekken zijn altijd een dankbaar vertrekpunt om met kinderen in dialoog te gaan: ze maken het onderwerp tastbaar en verhogen de betrokkenheid. De klasgesprekken en bevragingsmethodieken leverden ons heel wat waardevolle inzichten op over hoe kinderen bepaalde verkeersomgevingen gebruiken en hoe ze die beoordelen. Zo is er de duidelijke voorkeur voor vrijliggende fietspaden, en stelden we vast dat bruuske, onduidelijke overgangen in verkeersinfrastructuur (bv. van vrijliggend fietspad naar suggestiestrook) voor kinderen niet werken. Voldoende ruimte hebben om te wandelen of te fietsen, een leesbare verkeersomgeving zodat je weet wat je als voetganger of fietser mag of moet doen, én je geen zorgen hoeven te maken over auto’s die (te) dicht bij jou rijden, blijken voor kinderen belangrijke voorwaarden om zorgeloos op pad te gaan.
Daarbij is de vraag wel of je via het werken over heel concrete situaties en plekken nog voldoende ruimte laat voor creatief en out of the box denken. Kinderen zijn van nature uit creatief, maar ook vatbaar voor beïnvloeding, zeker in een klascontext. Sturen we met realistische situaties en beelden dan niet te veel het denken, en daarbij dus ook de antwoorden van kinderen? En houden we op die manier niet (te veel) vast aan de status quo, namelijk de manier waarop onze verkeersomgeving vandaag is ingericht, zonder ruimte te maken voor frisse ideeën?
Hoewel we via het traject in Gavere al een eerste idee hebben van wat kinderen verstaan onder autonome mobiliteit, is dit beeld zeker nog niet volledig. Vooral de achterliggende redenen en motivaties waarom kinderen kiezen voor een bepaalde route en vervoersmiddel(len), waarom ze een verplaatsing al dan niet zelfstandig kunnen en mogen maken, en hoe ze die verplaatsing beleven, zijn voorlopig nog onderbelicht. Het is dus gezond om onze gebruikte methodieken in vraag te stellen en om na te gaan hoe we nog meer kunnen focussen op de waaromvraag. De komende maanden willen we daarom tegelijkertijd breder én dieper graven. We zullen dus moeten zoeken naar een goed evenwicht tussen enerzijds voldoende concreet zijn zodat kinderen aanknopingspunten hebben vanuit hun eigen leefwereld en dagelijkse ervaring, en anderzijds voldoende ruimte laten om te kunnen en te mogen dromen.
Het participatietraject in Gavere was een eerste stap in een zoektocht naar wat dé kindnorm nu eigenlijk echt betekent. Dit najaar en in de loop van volgend jaar zullen we bijkomende trajecten met kinderen doorlopen om nog een scherper zicht te krijgen op hoe kinderen mobiliteit beleven en wat dit betekent voor het lokale en Vlaamse mobiliteitssysteem.
Heb je interesse in een participatietraject? Contacteer Andreas via ademesmaeker@k-s.be



