De overgang naar de middelbare school is meer dan alleen nieuwe boekentas. Het is ook de start van een nieuwe, zelfstandige route naar school. Maar hoe bereiden jonge tieners zich voor op deze grote sprong naar autonome mobiliteit? En hoe kunnen steden en gemeenten hen ondersteunen in een veilige en duurzame reis? Wij spraken met de hoofdrolspelers zelf – de tieners – over hun ideeën en uitdagingen.
Door Wouter Vanderstede en Theresa Martens
Vervoerskeuzes: de cijfers
Recent onderzoek over verplaatsingsgedrag toont dat niemand meer fietst en meer fietskilometers aflegt dan tieners. En dat bleek ook toen we in Heist-op-den-Berg en Oostende met tieners gingen praten. Ook het openbaar vervoer gebruiken ze vaak. Uit onze bevragingen bleek minstens 85% van hun verplaatsingen duurzaam te zijn: met de fiets, met het openbaar vervoer of te voet. In Heist-op-den-Berg domineert de fiets, in Oostende is het gebruik van fiets en openbaar vervoer meer verdeeld. Welke leeftijdsgroep doet beter op vlak van modal split? Als samenleving hebben wij er dus alle belang bij om in te zetten op verkeersveiligheid en op kwalitatief openbaar vervoer voor deze leeftijdsgroep.
De complexiteit achter de cijfers
‘Welke vervoersmiddel(len) gebruik je om naar school te gaan?’ Een schijnbaar eenvoudige vraag, maar in de praktijk zijn de antwoorden nauwelijks in een klassieke survey te vatten. Tieners met gescheiden ouders wonen bijvoorbeeld op twee verschillende plaatsen. Doorgaans zijn dat meteen twee verschillende trajecten, en vaak ook een andere keuze van vervoersmiddelen. Maar het antwoord hangt ook af van heel uiteenlopende factoren: het weer van de dag, de seizoenen, nieuwe vrienden leren kennen, een route of vervoermiddel beu worden…
Vervoerskeuzes zijn niet altijd vast gebetonneerd. Dit lezen we in volgende verhalen van tieners over hun schoolverplaatsingen de eerste maanden van het middelbaar:
“In het middelbaar zochten we eerst met de auto onze weg. Maar het was te veel omweg voor mijn ouders en dan ben ik met de fiets beginnen gaan.”
“Ik ging eerst met de fiets met een neef. Maar er was te veel verschil in tijd om met hem samen te rijden, en toen ging ik mee met mijn [nieuwe] vriendin. Eerst met de fiets, maar nu kiezen we samen voor de bus. Als het zomer wordt waarschijnlijk weer met de fiets.”
“De eerste dag ging ik met mijn moeder mee op de bus. Zij doet dat veel dus zij kent dat. Toen ging ik met andere vriendinnen, maar daar kwam ik niet zo goed meer mee overeen. Mijn nieuwe vriendin ging met de fiets en dan reden we samen.”

Dat toont hoezeer de vervoerskeuze, zeker in de eerste maanden op de middelbare school, niet vast staat. Sociale factoren zoals nieuwe vrienden maken spelen daarbij een grote rol. Die lange overgangsperiode biedt opportuniteiten voor campagnes die duurzaam vervoer en verkeersveiligheid willen verhogen: niet alles hoeft ingezet te worden op (de aanloop naar) 1 september. In de loop van september, oktober en november vinden er nog veranderingen plaats in de vervoerskeuzes, en blijft informatie of sensibilisering nuttig. Ook de overgang naar het winterseizoen kan daarin meegenomen worden.
Grote sprong naar autonome en duurzame mobiliteit
In elk geval blijkt de overgang van de lagere naar de middelbare school een belangrijk moment in het leven van de tieners. Je gaat naar een andere school, leert nieuwe vrienden kennen, en de meesten komen in een nieuwe omgeving terecht. Op het eerste gezicht lijkt mobiliteit daarin eerder een detail.
Maar als we doorvroegen, bleek ook mobiliteit een niet onbelangrijk deel van die grote sprong: iets waar de tieners soms toch wel bezorgdheden en stress over hadden. De meeste tieners zijn gewaar dat de ouders (en de samenleving) blijkbaar verwachten dat je vanaf het middelbaar zelfstandig naar school gaat. Dit lijkt vooral ingegeven door praktische overwegingen, meestal doordat de ouders allebei werken en het niet meer haalbaar is om mee te gaan met hun kind, temeer daar de afstand naar de middelbare school meestal ook groter wordt:
“Mijn ouders kunnen mij niet brengen, dus ik moet wel met de bus.”
“Ik kan niet anders omdat mijn ouders alle twee werken.”
“Er is geen andere mogelijkheid dan de fiets want ik heb nog een klein zusje van 4 jaar die naar school moet. Ik moet van mijn ouders zelf met de fiets.”

De keuze voor autonome verplaatsingen heeft zijn vaak pragmatische redenen, in functie van de gezinsorganisatie. Die pragmatiek zorgt er mee voor dat de meeste tieners het gevoel hebben dat ze die keuze samen met hun ouders hebben gemaakt. Of dat er eigenlijk weinig keuze is:
“Het is mijn eigen keuze omdat het dichtbij is en fietsen is leuk.”
“Het is mijn eigen keuze. Het is gemakkelijk en veilig om zo naar school toe te gaan.”
“Ik en mijn vriendin hebben dat samen beslist om zo samen te fietsen.”
Voor een aantal tieners was dit wél uitdrukkelijk een eigen keuze:
“Het was onze keuze, die van mij en mijn ouders samen.”
“Ik en mijn ouders samen hebben dat beslist want ze moeten vroeg gaan werken.”
“Het was mijn eigen keuze maar het moest ook van mijn ouders.”
Jouw fiets, jouw vrijheid
De meeste tieners die bewust met de fiets naar school gaan, ervaren dat als een grote vrijheid:
“Met de auto moet je direct meerijden naar huis. Met de fiets heb je de mogelijkheid om nog even rond te hangen na school. Ik moet dan gewoon iets laten weten aan ouders.”
“Ik vind het leuk dat ik volgend jaar alleen naar school kan. Ik kan zelf mijn route kiezen en kiezen wanneer ik vertrek.”
“Ik vind het leuk dat ik geen zagende ouders heb tijdens het fietsen.”
“Ik kan mijn eigen tempo kiezen, dat is leuk, want ik vond het niet leuk dat ik met mijn kleine zus moest fietsen. Die reed zo traag.”
“Je kan nu zonder ouders gaan. Anders controleren die u en nu niet meer. Nu ben je vrijer”.
Wie de fiets wil promoten bij tieners, kan dus het best het argument van ‘vrijheid’ uitspelen. In de gesprekken met tieners kwamen argumenten van gezondheid en ecologie zelden spontaan naar boven.

Stress met de bus en openbaar vervoer
Voor tieners die het al gewoon zijn om veel te fietsen en de hun nieuwe school in de eigen gemeente hebben, was de vervoerssprong naar het middelbaar meestal niet zo groot. Zij blijven op vertrouwd terrein.
Maar voor velen betekent de overgang naar de middelbare school ook de eerste kennismaking met het openbaar vervoer. Die geeft hen een grotere actieradius, maar ook best wat spanning. “Neem ik wel de juiste bus? Weet ik wel waar ik moet afstappen?”
Bij leerlingen in het zesde leerjaar hoorden we heel veel bekommernissen en stress:
“Ik heb nog nooit op de bus gezeten, ik wil dat mama voor de eerste keer meekomt en zegt waar ik moet afstappen. Mijn bushalte van de school is heel druk, want daar is nog een andere school ook, dus ik ben bang dat ik naar de verkeerde school ga gaan of verkeerd ga lopen.”
“Ik ben bezorgd dat ik de bus ga missen. Als ik de bus mis, ben ik met de volgende maar nét op tijd”
“Ik weet niet hoe ik [aan de bushalte] mijn fiets goed op slot ga kunnen doen, want anders kan die gestolen worden.”
“Ik heb hulp nodig voor de eerste rit, ik ga vragen of iemand mij dat toont, mijn broer of zo.”
Bij een aantal tieners uit het eerste middelbaar hoorden we dat die vrees soms ook waarheid werd:
“De eerste keer heb ik de verkeerde bus teruggepakt, uiteindelijk is mama mij komen halen…”
“Voor de eerste keer de bus nemen was raar. Opstappen was duidelijk maar afstappen was moeilijk omdat het niet duidelijk was wanneer ik af moest stappen.“
Die spanning was ook lang na de eerste schooldag nog voelbaar bij de tieners. Maar er treedt wel gewoonte in:
“Eens je dit al een paar keer gedaan hebt, gaat de stress over. (…) Het gaat nu beter, nu dat ik de app gebruik”.
Maar bij de start is er meer dan alleen een buskaartje nodig om tieners voor te bereiden op het openbaar vervoer. Praktische informatie is essentieel. Hoe scan je dat ticket? Waar stal je je fiets bij de bushalte? En wat als de bus te laat is? Het zijn vragen die veel tieners bezighouden. Daarom is praktische bus-educatie zo belangrijk.
Op deze en andere vragen gaan we dit jaar nog verder in met twee nieuwe proeftuinen en een bevraging bij ouders, om in 2026 tot uitgewerkte aanbevelingen, tools en campagnemateriaal te kunnen komen.
Met het actieprogramma ‘De Grote Sprong’ vanuit het Departement Mobiliteit en Openbare Werken wil Kind & Samenleving een beter beeld krijgen van de grote veranderingen op mobiliteitsvlak bij tieners die voor het eerst naar de middelbare school gaan. We spreken telkens met kinderen uit het zesde leerjaar en daarna bij tieners uit het eerste middelbaar. We voerden in 2024 inspraaksessies uit in Heist-op-den-Berg en Oostende, en in 2025 komen daar twee nieuwe proeftuinen bij. Op basis hiervan zullen we een praktische toolbox ontwikkelen voor gemeenten om deze overgang soepel, veilig en duurzaam te maken.



