In Vlaanderen spelen kinderen steeds minder buiten. Dat moet en kan anders! Ontdekt hoe je aan de hand van 3 vuistregels aan de slag kan gaan om gevarieerde speelkansen te creëren voor alle kinderen in jouw stad of gemeente.
Door Peter Dekeyser en Andreas De Mesmaeker
Van aanwaaibeleid …
Met een coherent speelruimtebeleid kan een stad of gemeente echt iets betekenen voor de speelkansen die kinderen in hun buurt ervaren. Toch stellen we in de praktijk nog vaak een ‘aanwaaibeleid’ vast (zie ook dit artikel). Ruimte maken voor spelen hangt dan af van toevalligheden: een vraag van buurtbewoners om een nieuw speelterreintje aan te leggen, of het vervangen van toestellen die hopeloos verouderd zijn… Een ander, regelmatig voorkomend knelpunt is dat spelen te weinig wordt bekeken vanuit een ruimtelijke bril. Kinderen kunnen terecht op het speelterreintje in hun buurt, maar daar stoppen ook de speelkansen. De straat, het park, het pleintje, en ook de route naar deze (speel)plekken blijven letterlijk buiten beschouwing. Op die manier denkt men niet aan speelkansen vanuit een samenhangende structuur.
… naar meetbare criteria voor het verankeren van ruimtelijke speelkansen
Nochtans is net dat ‘speelweefsel-denken’ cruciaal. Je botst immers al snel op vragen als: Hebben wij voldoende speelruimte in onze stad/gemeente? Zijn de speelruimten voldoende gespreid? Zijn de huidige speelkansen voldoende fijnmazig en gevarieerd? Welke rol spelen nieuwe (woon)ontwikkelingen in het bredere speelweefsel? Wat zouden we best opleggen aan de ontwikkelaar? …
Met Kind & Samenleving hebben we de richtlijn ‘8-80-800’ ontwikkeld. Het is een geheel van 3 samenhangende vuistregels – in de eerste plaats gericht aan lokale besturen – om te sleutelen aan een kwaliteitsvol speelweefsel.
De richtcijfers helpen om een bepaald ambitieniveau na te streven: Hier willen we naartoe met de ruimtelijke speelkansen in onze stad/gemeente. Ze zijn bruikbaar om een bestaande toestand te screenen en zo hiaten op te sporen, maar anderzijds kunnen ze ook als uitgangspunt worden opgenomen in een uiteenlopende reeks van beleidsdocumenten en/of -plannen. Denk bijvoorbeeld aan het gemeentelijk meerjarenplan, een beleidsplan ruimte, richtlijnen voor nieuwe woonprojecten, een gemeentelijke verordening, een mobiliteitsvisie, een visie of actieplan ‘kindvriendelijke gemeente’…
Waarvoor staan de cijfers 8-80-800?

Een goed speelweefsel gaat uit van de doelstelling dat kinderen zich autonoom in de eigen woonbuurt kunnen én mogen verplaatsen. Een omgeving die echt kindvriendelijk is, is op maat van kinderen van 8 jaar.
Dit vereist in de eerste plaats een samenhangend netwerk van kindroutes: een fijnmazig weefsel van trage wegen, paadjes en doorsteken dat losgekoppeld is van het autoverkeer, zodat de 8-jarige veilig alleen op pad kan.


Maar op pad gaan, is meer dan een verplaatsing van A naar B. Voor een 8-jarige is onderweg zijn een beleving op zich. Waar mogelijk dient de route dus ook speels en beleefbaar te zijn. Een padje door het bos, een parcours via stapstenen of een veldwegje langs de paarden is veel leuker dan een saaie route langs een drukke baan.



Op een afstand van 80 meter van de woning moet elk kind een stapsteen vinden. Het gaat om een plek(je) in de publieke ruimte waar kinderen even kunnen halt houden, elkaar ontmoeten, of even kunnen spelen. De plek maakt duidelijk dat je er even kan verblijven en maakt de verbinding met het ruimere speelweefsel. De inrichting kan heel eenvoudig: een combinatie van een zitelement (bv. een zitbank) met een spelprikkel (bv. stapstenen) en een belevingselement (bv. een boom) kunnen al volstaan om als volwaardige stapsteen te dienen.



Een kwalitatief speelweefsel bestaat ongetwijfeld uit formele speelruimten. Om een goede spreiding van speelkansen binnen de gemeente of stad te garanderen, zou elke woonbuurt in principe moeten beschikken over een kwalitatieve speelruimte van minimaal 800 m². Deze richtlijn is zowel op bestaand woonweefsel, als op nieuwe woonontwikkelingen van toepassing.In bestaande woonwijken is de ruimte soms beperkt. In dat geval kunnen meerdere kleinere terreintjes – gelegen in dezelfde woonwijk – samengeteld worden om tot die oppervlakte te komen.
Een kwalitatieve speelplek is een plek waar kinderen eerste gebruiker zijn: de inrichting maakt duidelijk dat je er kan én mag spelen. Bovendien moet het een plek zijn die gevarieerd spel mogelijk maakt én aantrekkelijk is voor verschillende leeftijden. Om die diversiteit aan speelkansen te garanderen en daarnaast ook voldoende ruimte te hebben voor andere ruimtelijke elementen zoals paden en groenelementen, is 800 m2 een goed streefcijfer.


Op onze website kan je terecht voor meer informatie over de 3 vuistregels. Je vindt er ook technische fiches terug waarmee je gericht aan de slag kan om de vuistregels in de praktijk toe te passen.



