Buitenspelen voorbij corona

Van inperking naar verschraling?

De coronacrisis kwam voor kinderen bovenop een bestaande crisis in het buitenspelen. De inperkingen die de coronasituatie het afgelopen jaar met zich meebracht zijn op een eigen manier ingrijpend voor kinderen. Ze zijn verhoudingsgewijs langduriger en daarom misschien op langere termijn verstrekkender. Buiten spelen is daar één voorbeeld van.

Door Johan Meire

Al voor corona was buiten spelen minder vanzelfsprekend geworden, een trend die al enkele decennia aan de gang is. Kinderen spelen niet alleen minder buiten, ze zijn ook minder aanwezig in de publieke ruimte tout court. De mate waarin dit te wijten is aan toegenomen alternatieve tijdsbestedingen, verminderde interesse in buiten spelen of een afgenomen vrijheid om de straat op te mogen, is voer voor verder onderzoek. Maar dat het buitenspelen ‘op straat’ in crisis verkeert, staat buiten kijf.

Bovenop die crisis is nu de coronacrisis gekomen: een crisis die de vanzelfsprekendheid om buiten te spelen nog verder onder druk zette, zowel door de virologische toestand als door de maatregelen om die toestand beheersbaar te houden. Iedereen heeft zich in die oncomfortabele ‘coronarealiteit’ te schikken, maar voor kinderen stellen de beperkingen andere kwesties dan voor volwassenen. Kinderen groeien, groeien op, ontwikkelen en ontdekken; en dat maakt een jaar on hold voor hen heel anders dan voor volwassenen die al heel wat meer ‘gesettled’ zijn. Dat een lockdown juist zo zwaar valt voor de tieners komt omdat sociale relaties nu eenmaal zo cruciaal zijn in heel het groeiende leven van die leeftijdsgroep: in de samenleving zoals we die kennen, maar ook in het tienerbrein op zich. Daar mag best wat meer erkenning voor zijn. Ook voor jongere kinderen, die zich vaak erg goed aanpassen aan de bestaande toestand, is het maar de vraag wat het voorbije jaar voor impact zal hebben. Een jaar is eindeloos op kinderschaal.

In ons Magazine schreven we eerder al over hoe spelen voor kinderen en ruimte om te ontsnappen voor tieners verre van vanzelfsprekend zijn tijdens lockdownperiodes. Maar wat op een iets langere termijn, wanneer – zo mogen we het toch hopen – de hardste coronamaatregelen niet meer de dagelijkse realiteit zijn? Wat zal een heel jaar en langer van vooral ‘binnenblijven’ met kinderen doen? Een jaar met veel meer schermtijd, met veel minder spontaan face-to-facecontact ‘op straat’ en in de informele vrije tijd, en met veel minder vrijetijdsactiviteiten en de regelmaat en de vriendschappen die zij bieden. We weten het niet, maar het zou naïef zijn om te denken dat het vanzelf wel weer in orde komt wanneer buiten spelen zó al in de verdrukking zit.

De waarde van spelen en een dreigende verschraling

We maken ons dan niet alleen zorgen over hoeveel kinderen nog (zullen) buiten spelen, maar ook over de impact op de kwaliteit van dat spel. De onschatbare waarde van buitenspelen die we hebben omschreven als de 10 uitdagingen van de buitenspeelheld, komt onder druk te staan wanneer spelen ingeperkt wordt en daardoor dreigt te verschralen.

Zo is vrijheid inherent aan spelen: spelen is zelf beslissen wat je doet, en alles kan, ook al is het maar alsof. Het spontane in het spelen – het onbezorgde, het zomaar wat doen – is wat spelen zo laagdrempelig en zo flexibel maakt; maar net dát is het afgelopen jaar danig op de proef gesteld.

Hoezeer raakt spelen ingekapseld na een jaar met beperkte spontane contacten: beperkt in aantal, minder intergenerationeel, met allerlei afwegingen en inperkingen over materiaal en afstand? In hoeverre worden die beperkingen geïnterioriseerd tot voortdurend aanwezige bijgedachten over wat nog mag en kan? Zal spelen meer begeleid worden, en minder zelf georganiseerd? Zullen kinderen minder dan vroeger, al spelend met andere kinderen, vanzelf hun eigen buurt leren kennen? Zelf je ding doen en je eigen plekje maken, is dat iets geworden voor in Minecraft?

Spelen is ook uitdaging opzoeken en dus met risico’s (leren) omgaan. De focus op veiligheid zou wel eens zou kunnen blijven hangen, waarbij een beschermingsperspectief ook ‘na’ de pandemie zou kunnen blijven doorschieten. Komen we terecht in een basishouding die vooral verbiedt omdat dat de zekerste oplossing van een lastig probleem lijkt – ‘dat mag niet van deze of gene autoriteit’? Komt in je eigen buurt gaan spelen en rondfietsen nog sterker in het beschermingsvizier?

Spelen doe je als kind om het spelen zelf, niet omdat het ergens voor dient of een bepaalde uitkomst moet hebben. In een beleidscontext is spelen daarom vaak kwetsbaar, en vandaag des te meer. De bezorgdheid over kinderen uitte zich tijdens de coronaperiode, samen met een beschermende reflex, heel sterk op leren en het voorkomen of tegengaan van leerachterstand. Die doelgerichte schooltijd breidde zich uit naar thuis en naar de zomer. Terwijl de publieke ruimte vaak weinig toegankelijk werd voor kinderen, vervelde het huis tot een leerplek, onvermijdelijk ten koste van het huis als leefplek. Hoe je wereld verbreden, dingen uitproberen en ontdekken wat je graag doet, in een ingekrompen wereld waarin je minder hobby’s kon hebben, en waarin de schooltijd meer als ‘énkel schoolse tijd’ werd ingevuld?

Welke nasleep?

Wat zijn de kansen dat dit ook ‘na’ de pandemie blijft doorwerken? Zullen kinderen de inperkingen geïnterioriseerd hebben en met twijfels blijven zitten of dit en dat nu wel (weer) mag? Gaat er iets blijven hangen van ‘niet samen zijn met onbekenden’ of hun materiaal (speelgoed) niet zomaar delen? Zullen inperkingen maatschappelijk blijven bestaan als regels, gewoontes of goedbedoelde beschermende maatregelen? Blijft een focus op meer doelgericht leren en het inhalen van de opgelopen achterstand het zogenaamd ‘nutteloze’ van spelen bedreigen?

En hoe geraken we weer aan het bewegen, na een jaar waarin spelen, sporten en gewoon wat rondrennen minder makkelijk ging en waarin schermtijd absoluut dominanter werd? Is de gewoonte om nóg meer binnen te zitten er na al die tijd in geslepen geraakt bij een hele generatie kinderen? Dan zou dat echt nefast zijn voor buitenspelen en bewegen.

Een buitenspeelbeleid

De impact die de coronaperiode op middellange termijn zal hebben op het buitenspelen van kinderen, zowel bij kinderen zelf als in de bredere maatschappij, is moeilijk in te schatten. Maar in een context waarin buitenspelen zo al onder druk stond, is uitdrukkelijke actie gericht op het actief aanzetten tot buitenspelen alleen maar logisch. Het stimuleren van buitenspelen – het creëren van heel diverse speelkansen en echt het aanjagen van kinderen om uit hun kot te komen – kan helpen om de mentale en fysieke gezondheid van kinderen en jongeren te vrijwaren. Een beleid voor kinderen kan juist ‘na’ corona inzetten op ‘een zomer vol spel’ om uit de verschraling en stress van de coronaperiode te geraken, en op het garanderen van voldoende speelkansen op straten, in scholen en in jeugdwerk.  


Op woensdag 28 april 2021 organiseren Kind & Samenleving, Goe Gespeeld! en Woodkid een studiedag over buitenspelen. Wat kunnen we met de resultaten van het buitenspeelonderzoek op het veld: hoe kunnen we het buitenspelen van kinderen beter ondersteunen? Een inspirerende online studiedag (namiddag en ’s avonds panelgesprek) waarvoor u hier kan inschrijven!

Geef een reactie

Welkom

Dit is het Magazine van Kind & Samenleving. Het komt drie keer per jaar online. Veel leesplezier!

Lees over onze thema’s

Ook interessant
Is er wifi in de tent?
%d bloggers liken dit: