Brief aan de burgemeester

Vijf aandachtspunten voor een kindvriendelijke stad of gemeente

Beste burgemeester, beste schepenen,


Eerst en vooral: van harte gefeliciteerd met uw (her)verkiezing, en uiteraard wensen we u vanaf januari 2019 een mooie bestuursperiode toe, waarin u voor uw dorp of stad het verschil kunt maken. Omdat kinderen nog niet kunnen stemmen, maar toch al actieve bewoners zijn, willen we u vragen om ook hen zeker niet te vergeten.


In uw stad of gemeente zijn er ongetwijfeld heel wat ‘eilandjes’ voor kinderen: broodnodige ankerpunten waar zij een veilige basis vinden, elkaar ontmoeten, zich engageren en zichzelf organiseren. De jeugdbeweging, het jeugdwelzijnswerk, het speelpleinwerk, de sportclub, de academie, het jeugdhuis… Die rijkdom is te koesteren – te behouden, te versterken, aan te vullen.

Maar misschien liggen de uitdagingen voor uw bestuur vooral op een ander terrein: in heel wat dorpen en steden blijven kinderen en jongeren immers net te veel op een eiland zitten. Net als volwassenen leven ook zij op het kruispunt van verschillende beleidsdomeinen. De uitdaging blijft dus om bruggen te bouwen over de verschillende beleidsthema’s heen. De steden en gemeenten die inzetten op het thema of het label kindvriendelijkheid, ervaren dat heel concreet: een jeugdbeleid voer je niet met de jeugddienst en de jeugdraad alleen, al was het maar omdat kinderen bijvoorbeeld ook tot de meest intensieve gebruikers van de publieke ruimte behoren. Hoe je die verbinding kunt maken en kinderen een plaats geeft in het hele beleid? Wij geven alvast vijf aandachtspunten mee.

1.Creëer plekken en betrokkenheid.

Kinderen en jongeren die zich thuis voelen in hun buurt en hun gemeente, zijn betrokken burgers, vandaag en morgen. Die band met uw stad of gemeente wordt allereerst via de buurt of de deelgemeente gecreëerd. Kinderen spelen vooral dicht bij huis: zo raken ze vertrouwd met hun buurt, ze leren er de plekken en mensen kennen. Verder houden kinderen en jongeren vooral van fijne, herkenbare plekken, waar ze elkaar kunnen ontmoeten. Een aantrekkelijk stads- of dorpsplein maakt het bovendien aangenamer wonen voor volwassenen.

  • Zijn er voldoende betekenisvolle, gedeelde centrale plekken in de (deel)gemeente? Denk dan niet alleen aan formele speelterreinen en vrijetijdsvoorzieningen. Parkjes, het station, de frituur of het bosje achter het zwembad kunnen net zo goed belangrijke plekken voor kinderen en jongeren zijn.
  • Hoog tijd voor actie is het als kinderen aangeven dat ‘hier niets is’, als ze moeilijk centrale plekken kunnen noemen of als ze zeggen dat ze er niet geraken. Jongeren weten dat er niet overal evenveel voorzieningen kunnen zijn, maar zijn erg gefrustreerd wanneer betekenisvolle plekken verdwijnen.
  • Werk ook aan het sociale weefsel. Dat er ‘van alles gebeurt’ in de eigen gemeente, bijvoorbeeld door feesten en evenementen, zorgt er mee voor dat kinderen en jongeren er zich thuis voelen en gehecht zijn aan hun stad of gemeente.
  • Hoe u kinderen kan betrekken bij hun directe woonomgeving en hun gemeente, én hoe u inspraak daarover vorm kan geven, leest u in onze tools Buurtspelers en Hoe zot is ons dorp.

2.Realiseer het recht op spelen op lokaal niveau.

Het gewone spelen ‘op straat’ of op pleintjes staat om allerlei redenen onder druk. Toch is het net daar dat kinderen zichzelf (leren) organiseren, elkaar ontmoeten, hun buurt leren kennen. En als lokale overheid kunt u daar het verschil maken!

  • Word een Goe Gespeeld!-gemeente.
  • Zorg voor voldoende diverse plaatsen voor het eigen spel van kinderen, én denk daarbij aan bereikbaarheid en een goede inplanting. Die bereikbaarheid is belangrijk: je kan ruimte voor kinderen niet zomaar centraliseren of in één zone concentreren, want kinderen geraken niet overal.
  • Meer en meer steden en gemeenten maken een speelruimtebeleidsplan of een speelweefselplan op als leidende instrumenten voor hun beleid. Zo werken ze planmatig aan de formele en informele plekken die voor kinderen en jongeren van tel zijn, én aan de verbindingen ertussen. Elders gaat het vooral over een doordachte spreiding en opvolging van speelpleintjes; daar zijn nog mooie groeimogelijkheden.
  • Denk ook aan tieners en jongeren: zij zijn vooral op zoek naar plekken waar ze elkaar kunnen ontmoeten en gewoon mogen chillen en zichzelf kunnen zijn.
  • Besef dat publieke ruimte des te belangrijker is voor wie thuis geen geschikte plaats heeft om te spelen of vrije tijd door te brengen. Lang niet alle kinderen hebben een tuin, en voor kinderen en jongeren die veel drempels ervaren om deel te nemen aan het vrijetijdsaanbod, is de publieke ruimte belangrijker dan voor wie ook.

3.De betonstop? Verdicht verstandig om bruikbaar groen te vrijwaren.

De beschikbare ruimte beter gebruiken voor haar verschillende functies is voor alle steden en gemeenten een uitdaging met de betonstop in zicht. Kernverdichting kan een manier zijn om open, groene ruimte te bewaren.

  • Net als andere inwoners kijken kinderen hier ook kritisch naar. Betekent verdichting dat alle restjes groen waar kinderen spelen, worden volgebouwd, zonder een volwaardig alternatief? Blijf opletten dat de kwalitatieve groene ruimtes bewaard blijven of extra aangelegd worden. Kijk naar hoe kinderen nu spelen en vrijwaar de kansen voor dat soort spel bij een heraanleg.  Juist hier is de waarde van inspraak met kinderen enorm.
  • Dichter en compacter wonen kan wanneer er toegankelijk én bruikbaar groen naast komt. Voor kinderen betekent groen: een bereikbaar park, terrein of stuk natuur waar je iets kan doen. Geen zicht- of schaamgroen, maar plekken die voldoende groot zijn om op verschillende soorten gebruikers in te spelen.

4.Maak écht werk van het STOP-principe.

Mobiliteit was misschien wel hét thema van de afgelopen gemeenteraadsverkiezingen. Dit thema doorsnijdt allerlei beleidsdomeinen: ruimtelijke ordening, sociaal beleid, onderwijs, vrije tijd, gezondheid, duurzaamheid, veiligheid. Daarom is het ook buitengewoon interessant voor inspraak. Een uitdagende vraag is dan hoe u het STOP-principe concreet kunt invullen in uw gemeente of stad.

Kinderen zijn afhankelijk van andere vervoersmiddelen dan de auto. Als zachte weggebruiker zijn zij extra kwetsbaar. Maar als u hen vaker zelfstandig op weg krijgt, vermindert u vanzelf de files in uw stad of gemeente.

  • Voor kinderen en jongeren zijn goede en voet- en fietspaden noodzakelijk, om naar school te gaan, naar het jeugdwerk of naar hun vriendjes. Straten en pleinen die gemaakt zijn op maat van kinderen, zijn meteen ook (be)leefbare straten en pleinen voor andere inwoners.
  • Een schoolomgeving tot een verkeersveilig eilandje maken is goed, maar om kinderen zelfstandig de weg van thuis naar school te laten maken, moeten op zijn minst alle onoverkomelijke barrières tussenin weggewerkt zijn.
  • Handhaving hoort bij het STOP-principe. Auto’s die op het fietspad geparkeerd staan of werken die het voetpad versperren, creëren situaties die voor kinderen extra gevaarlijk zijn. Voor de soms nog weinig gekende fiets- en schoolstraten is sensibilisering cruciaal.
  • Voor tieners en jongeren geeft het openbaar vervoer de mogelijkheid eens buiten de gemeentegrenzen te stappen. Vaak bevindt hun sport- of vrijetijdsclub zich in een andere gemeente of stad. Daarom is de interregionale mobiliteit voor hen belangrijk. Door goeie verbindingen houdt u jongeren betrokken bij uw eigen gemeente.
  • Ga er niet vanuit dat kinderen tegenwoordig wel overal geraken ‘omdat hun ouders hen brengen’. Voor veel kinderen is dat niet het geval en kan de bereikbaarheid van sport- en jeugdinfrastructuur een reëel probleem zijn.

5.Laat alle kinderen en jongeren mee participeren in het beleid.

Kinderen en jongeren stemmen niet, gaan niet naar bewonersavonden of zetelen niet in de gecoro. Maar als experts van hun dagelijkse leven hebben ze u heel wat nuttigs te vertellen over wat er speelt in hun omgeving. Ze nemen elke dag de route van school naar huis, zoeken de beste speel- en rondhangplekken in hun buurt en kijken graag naar wat er om hen heen gebeurt. Betrek hen bij uw beleid: omdat zij betrokken partij zijn, én omdat u er zelf wijzer door kan worden.

  • Bedenk dat kinderen en jongeren onderling net zoveel van elkaar verschillen als volwassenen.
  • Betrek ook de jeugd die u anders niet makkelijk bereikt. Kijk dus breder dan de jeugdraad of het jeugdwerk. Werk doordacht via scholen of werk samen met werkingen voor maatschappelijk kwetsbare jongeren. Neem kinderen en jongeren in (kans)armoede uitdrukkelijk mee op in inspraak over het beleid.
  • Combineer meer structurele vormen van inspraak – een jeugdraad, maar ook een jaarlijkse bevraging bijvoorbeeld – aan ad hoc-inspraak over specifieke projecten. Koppel meer grootschalige enquêtes aan belevingsonderzoek dat dieper gaat.
  • Zorg voor mensen en middelen die de stem van kinderen en jongeren kunnen vertalen naar beleidsaanbevelingen.


Mogen wij u uitnodigen om deze punten zeker mee op de agenda te zetten voor uw beleid? Dan dromen wij alvast samen met u van dorpen en steden waarin alle generaties zich thuis voelen!

Met vriendelijke groet,

Team Kind & Samenleving: Peter Dekeyser, Sofie Marque, Johan Meire, Sabine Miedema, Francis Vaningelgem, Wouter Vanderstede

Geef een reactie

Welkom

Dit is het Magazine van Kind & Samenleving. Het komt drie keer per jaar online. Veel leesplezier!

Lees over onze thema’s

Ook interessant
Column: Het monster in de tiener
%d bloggers liken dit: